ECLI:NL:RBDHA:2022:9188
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- A.M.H. van der Poort - Schoenmakers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking en weigering verlenging verblijfsvergunning kennismigrant
Eiseres, een Russische nationaliteit houdende kennismigrant, kreeg een verblijfsvergunning voor arbeid bij een referent tot 1 september 2025. Verweerder trok de vergunning met terugwerkende kracht per 6 juli 2018 in omdat eiseres sinds die datum enig aandeelhouder was van de referent, waardoor zij niet langer als werknemer kwalificeerde maar als zelfstandige.
Eiseres voerde aan dat zij nog steeds arbeid als kennismigrant verrichtte en dat zij niet wist dat zij de wijziging van haar aandeelhouderschap moest melden. Tevens stelde zij dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat de arbeidsverhouding was beëindigd en dat eiseres de meldingsplicht kende of behoorde te kennen.
De rechtbank verwierp het beroep op voortgezet verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro omdat er geen belemmering was om het gezinsleven in Rusland voort te zetten. Ook was verweerder niet verplicht een voornemen kenbaar te maken of eiseres te horen in bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en weigering van verlenging van de verblijfsvergunning als kennismigrant wordt ongegrond verklaard.