ECLI:NL:RBDHA:2022:9200
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gebiedsverbod wegens herhaalde ernstige overlast in centrum Den Haag
Eiser kreeg van verweerder, de burgemeester van Den Haag, een gebiedsverbod opgelegd voor drie maanden wegens structurele ernstige overlast in het centrum van Den Haag. Dit verbod werd later licht aangepast met een looproute naar het kantoor van eisers gemachtigde. Eiser betwistte het gebiedsverbod en stelde dat de meldingen van overlast grotendeels van de politie afkomstig waren en dat hij afhankelijk is van het gebied voor zijn bestaan en sociale contacten.
De rechtbank stelde vast dat eiser de lijst van 13 incidenten met overlastgedrag niet had betwist. Deze incidenten betroffen onder meer slapen op de openbare weg, het achterlaten van afval en het niet naleven van coronamaatregelen. Eiser veroorzaakte overlast onder invloed van alcohol en/of drugs en toonde zorgmijdend gedrag. Hulpverlening werd aangeboden, maar door eiser afgewezen.
Verweerder had de bevoegdheid het gebiedsverbod op te leggen vanwege de ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde. De rechtbank oordeelde dat het gebiedsverbod een geschikt en noodzakelijk middel is om verdere overlast te voorkomen. Het belang van de openbare orde woog zwaarder dan het belang van eiser bij zijn bewegingsvrijheid in het beperkte gebied.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Kleijn op 20 juli 2022.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het gebiedsverbod wordt ongegrond verklaard en het gebiedsverbod bevestigd.