Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:9215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 september 2022
Publicatiedatum
14 september 2022
Zaaknummer
NL22.15583
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 18 DublinverordeningVreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening ongegrond verklaard

Eiser, een Zuid-Soedanese asielzoeker, diende op 26 juli 2022 een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat België verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Eiser betoogde dat hij uit angst voor overdracht aan Malta de opvang in België had verlaten en vreest dat hij in België geen adequate opvang en medische zorg zal ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat België inderdaad verantwoordelijk is voor de asielprocedure en dat de Nederlandse staatssecretaris terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser slaagt er niet in aannemelijk te maken dat België zijn internationale verplichtingen schendt, ondanks verwijzingen naar capaciteitsproblemen in opvang en medische zorg.

De rechtbank weegt mee dat eiser geen concrete klachten of bewijsstukken heeft over het ontbreken van opvang of medische zorg in België. Zijn eigen vertrek uit de opvang was vrijwillig en hij heeft geen klachten ingediend over de gebrekkige medische behandeling. Daarom is het beroep ongegrond verklaard.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack en griffier J. de Winter op 8 september 2022 in Middelburg.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid België is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.15583

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL22.15584, op 25 augustus 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1992 en de Zuid-Soedanese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 26 juli 2022 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft deze asielaanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Volgens verweerder zijn de autoriteiten van België verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag omdat eiser al eerder in België asiel heeft aangevraagd. Verweerder heeft een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. [2] België heeft dit verzoek geaccepteerd.
3. Eiser voert aan dat hij na het indienen van zijn eerste asielaanvraag in België de opvang aldaar heeft verlaten uit angst voor een overdracht aan Malta. Toen hij te horen kreeg dat zijn asielaanvraag alsnog inhoudelijk zou worden behandeld, heeft hij een nieuwe asielaanvraag ingediend. Eiser kon echter geen opvang meer krijgen. Eiser heeft daarbij een krantenartikel van 1 juni 2022 over Fedasil overgelegd, waarin is te lezen dat opvang niet is gegarandeerd voor alleenstaande mannen. In dat kader verwijst eiser in het aanvullend beroepschrift van 24 augustus 2022 ook naar bladzijdes 31 en 75 van het AIDA-rapport. [3] Eiser vreest in België het risico te lopen om zonder inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag teruggestuurd te worden naar zijn land van herkomst. Verder vreest eiser geen medische behandeling te krijgen in België. In het aanvullend beroepschrift stelt eiser dat hij, gelet op zijn gezondheid, als bijzonder kwetsbaar persoon moet worden aangemerkt. Hij beroept zich op het arrest Tarakhel [4] en is van mening dat verweerder aanvullende garanties moet verkrijgen van de Belgische autoriteiten voor het verkrijgen van opvang, voorzieningen en medische hulp.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming.
5. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat er geen beletselen zijn om eiser over te dragen aan België. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn ook van toepassing zijn op de asielprocedure in België. Dat betekent dat er van uit kan worden gegaan dat eiser niet zal worden blootgesteld aan refoulement en dat eiser aanspraak maakt op opvangvoorzieningen, inclusief medisch noodzakelijke zorg.
6. In algemene zin mag verweerder ten opzichte van België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Hierin is eiser niet geslaagd.
7. Eiser heeft allereerst niet met documenten aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure of de opvangvoorzieningen in België zodanige structurele tekortkomingen vertonen dat overdracht zal leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM [5] of artikel 4 van Pro het Handvest. [6] Het door eiser overgelegde internetartikel van 1 juni 2022 en de verwijzing naar het AIDA-rapport zijn hiervoor niet voldoende. Het artikel en het rapport maken weliswaar melding van capaciteitsproblemen in de asielopvang in België, maar verder blijkt ook dat asielzoekers hun recht op opvang via de rechter kunnen afdwingen. Hiermee is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat België zijn internationale verplichtingen niet naleeft.
8. Eisers verklaringen rechtvaardigen evenmin het gegronde vermoeden dat België zijn verplichtingen jegens asielzoekers niet nakomt. Eiser heeft verklaard dat hij eerder in België opvang heeft gehad, maar dat hij de asielopvang uit eigen beweging heeft verlaten. Uit eisers verklaringen volgt niet dat hij daarna tevergeefs heeft geklaagd over het ontbreken van opvang, hetgeen wel van hem mocht worden verwacht. Voor zover eiser heeft gewezen op zijn medische situatie stelt de rechtbank met verweerder vast dat eiser zijn gezondheidsklachten op geen enkele wijze heeft onderbouwd met documenten. Indien er vanuit zou moeten worden gegaan dat eiser extra kwetsbaar is vanwege zijn gezondheid, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in België geen toegang zal krijgen tot noodzakelijke medische zorg. Uit eisers verklaringen volgt dat hij in België medisch is onderzocht en dat hij België heeft verlaten omdat de voortgang in de medische behandeling in België hem te langzaam was. Niet is gebleken dat eiser hierover in België heeft geklaagd.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.AIDA Country Report Belgium Update 2021.
4.Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.