ECLI:NL:RBDHA:2022:9443
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Frankrijk
Verzoeker, met de Soedanese nationaliteit, maakte bezwaar tegen zijn geplande feitelijke uitzetting naar Toulouse, Frankrijk, die op 4 januari 2022 zou plaatsvinden. Hij verzocht de voorzieningenrechter om te bepalen dat hij zich mocht onthouden van uitzetting totdat op zijn bezwaar was beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van onverwijlde spoed en dat partijen niet in hun belangen werden geschaad door de procedure zonder zitting. Bij de beoordeling werd vastgesteld dat het bezwaar slechts kan zien op de wijze van uitzetting of op nieuwe feiten en omstandigheden die de rechtmatigheid van de uitzetting ter discussie stellen.
Omdat verzoeker geen nieuwe feiten had aangevoerd die na het laatste Dublin-besluit van 22 maart 2021 waren ontstaan, en geen gronden tegen de wijze van uitzetting had aangevoerd, werd geconcludeerd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had. Ook werd geen situatie vastgesteld zoals bedoeld in het arrest Bahaddar.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en oordeelde dat verzoeker geen recht had op proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting naar Frankrijk wordt afgewezen.