ECLI:NL:RBDHA:2022:9478
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding
Verzoeker heeft een bijstandsuitkering aangevraagd die door het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer is afgewezen op grond dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ex-partner de gezamenlijke woning heeft verlaten en dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker en zijn ex-partner sinds 2017 weer samenwoonden, ondanks hun echtscheiding in 2005, en dat de ex-partner zich pas in juni 2022 had uitgeschreven. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek werden nog veel persoonlijke goederen van de ex-partner in de woning aangetroffen, wat het vertrek onvoldoende aannemelijk maakte.
Op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding bij hoofdverblijf in dezelfde woning en het feit dat verzoeker hierover geen correcte informatie had verstrekt, oordeelde de voorzieningenrechter dat verzoeker als gehuwd moet worden beschouwd en geen recht heeft op bijstand als alleenstaande.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en blijft het bestreden besluit naar verwachting in stand.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt afgewezen.