Eiser heeft een bijstandsuitkering aangevraagd als alleenstaande, maar verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het vermoeden dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-partner. Tijdens een onaangekondigd huisbezoek werden veel persoonlijke spullen van de ex-partner aangetroffen, wat verweerder deed concluderen dat zij haar hoofdverblijf nog op het uitkeringsadres had.
Eiser betwistte dit en stelde dat de spullen tijdelijk aanwezig waren vanwege een abrupte vertrek en gebrek aan ruimte bij hun dochter. Ook voerde hij aan dat belangrijke dagelijkse spullen ontbraken en dat sommige spullen van zijn dochter konden zijn. De rechtbank oordeelde echter dat de hoeveelheid en aard van de spullen, samen met verklaringen van eiser zelf, voldoende bewijs vormden dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verwierp de ontlastende verklaringen van eiser en concludeerde dat eiser niet aan zijn meldingsplicht had voldaan zoals voorgeschreven in de Participatiewet. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiser geen recht heeft op bijstand en geen proceskostenvergoeding ontvangt.