Eiser vroeg bijstand op grond van de Participatiewet en bijzondere bijstand voor reiskosten naar een inburgeringscursus en bezoek aan zijn zoon. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag kende hem bijstand toe vanaf 9 december 2019, omdat hij pas toen zijn verblijf in Den Haag aantoonde. De aanvraag voor bijzondere bijstand voor reiskosten werd afgewezen omdat deze kosten als algemene kosten van het bestaan worden beschouwd en uit het inkomen moeten worden betaald.
Eiser stelde dat hij zich al op 7 november 2019 had gemeld en dat de bijstand daarom vanaf die datum moest worden toegekend. De rechtbank oordeelde dat het recht op bijstand afhankelijk is van het feitelijk verblijf, en eiser had niet betwist dat hij dit pas op 9 december 2019 had aangetoond. Daarnaast wees de rechtbank het beroep af op de bijzondere bijstand omdat reiskosten naar de inburgeringscursus en het bezoek aan zijn zoon niet voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
De rechtbank wees ook het verzoek om een tolk af, omdat eiser dit niet tijdig had aangevraagd en zijn beheersing van de Nederlandse taal voldoende was gebleken. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.