ECLI:NL:RBDHA:2022:9799
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omzetbelasting wegens termijnoverschrijding bevestigd
Eiser verrichtte in 2018 werkzaamheden als commissiesecretaris en diende hierover omzetbelastingaangiften in, welke voldaan zijn. Eiser diende in 2021 een formulier in met een verzoek tot vooroverleg, waarin hij stelde dat hij niet als ondernemer voor de omzetbelasting had gehandeld en de belasting ten onrechte had voldaan. Verweerder kwalificeerde dit formulier als bezwaarschrift en verklaarde het niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, en wees tevens het verzoek om ambtshalve vermindering af.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar inderdaad niet tijdig was ingediend, omdat de bezwaartermijn van zes weken was verstreken na de voldoening van de belasting. Wel had verweerder volgens de rechtbank aan eiser moeten vragen waarom het bezwaar te laat was ingediend, wat niet is gebeurd. Daarom werd het beroep gegrond verklaard voor zover het de niet-ontvankelijkverklaring betrof, en werd die uitspraak vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om ambtshalve vermindering, omdat dit geen voor bezwaar vatbaar besluit is. Eiser kan dit alleen via de burgerlijke rechter aanvechten. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd mondeling gedaan op 11 oktober 2022 door rechter M.E. Kiers.
Uitkomst: Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, en de rechtbank verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het verzoek om ambtshalve vermindering.