ECLI:NL:RBDHA:2022:9919

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 september 2022
Publicatiedatum
29 september 2022
Zaaknummer
NL22.5236
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:19 AwbArt. 6:20 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens uitsluiting bestuurlijke dwangsom in asielprocedure

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 31 augustus 2021. Verweerder heeft de aanvraag alsnog ingewilligd op 14 juli 2022, maar eiser handhaafde het beroep. De rechtbank beoordeelde of eiser in beroep kon komen tegen de vaststelling dat hij geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd is.

De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND sluit de toepassing van de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb uit op asielaanvragen, waardoor verweerder geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren. Eiser stelde dat deze wet strijdig is met het Unierecht, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch.

De rechtbank overwoog dat de asielprocedure een specifiek karakter heeft dat wezenlijk verschilt van andere bestuursrechtelijke procedures, mede vanwege de complexiteit en fluctuaties in aanvragen. Hierdoor is het gelijkwaardigheidsbeginsel niet geschonden. Ook het doeltreffendheidsbeginsel wordt niet aangetast omdat het ontbreken van bestuurlijke dwangsommen niet leidt tot onmogelijkheid of onaanvaardbare moeilijkheden om het recht op asiel te effectueren.

Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Wel is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser vanwege het niet tijdig beslissen. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens uitsluiting van bestuurlijke dwangsommen in asielzaken en verweerder wordt veroordeeld in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.5236

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: R. van der Heijden).

ProcesverloopOp 28 maart 2022 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 31 augustus 2021.

Bij besluit van 14 juli 2022 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser alsnog ingewilligd.
Eiser heeft desgevraagd op 31 juli 2022 meegedeeld dat hij het beroep handhaaft. Verweerder heeft op 20 april 2022 en 2 augustus 2022 verweerschriften ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag van eiser, dient te worden vastgesteld dat met de inwilliging van de asielaanvraag aan het beroep tegemoet is gekomen, zodat eiser gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb in zoverre geen procesbelang meer heeft.
2. De vraag ligt voor of eiser (op grond van artikel 4:19 van Pro de Awb) in beroep kan opkomen tegen de vaststelling van verweerder bij de inwilliging van de asielaanvraag dat hij aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd is. De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND sluit uit dat de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen. Het gevolg hiervan is dat verweerder aan eiser geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren. Eiser stelt zich blijkens zijn reactie van 31 juli 2022 op het standpunt dat de Tijdelijke wet in zoverre onverbindend is wegens strijd met het Unierecht. Hij verwijst hierbij naar de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 22 april 2022. [1]
3. Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de hier aan de orde gestelde regeling met het Unierecht geldt dat het buiten toepassing stellen van de bestuurlijke dwangsomregeling niet mag resulteren in voor asielaanvragen ongunstiger procedurevoorschriften dan die welke gelden voor soortgelijke situaties naar nationaal recht (gelijkwaardigheidsbeginsel). Daarnaast mag de uitoefening van het door het Unierecht verleende recht op internationale bescherming in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt (doeltreffendheidsbeginsel).
4. In genoemde uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch is geconcludeerd tot de onverbindendheid van artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet, voor zover daarbij de toepassing van de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en artikel 8:55c van de Awb is uitgesloten voor besluiten op asielaanvragen. De rechtbank overweegt daartoe in de uitspraak dat bedoelde uitsluiting in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel, omdat de voor de behandeling van asielaanvragen geldende procedureregels door deze uitsluiting ongunstiger zijn dan die voor soortgelijke (nationaalrechtelijke) procedures.
5. Anders dan in de genoemde uitspraak komt de rechtbank thans tot de conclusie dat soortgelijke nationaalrechtelijke procedures zich niet voordoen. De rechtbank is in navolging van zittingsplaats Arnhem [2] van oordeel dat de procedure om te beslissen op een asielaanvraag een specifiek karakter heeft dat wezenlijk verschilt van andere bestuursrechtelijke vergunningprocedures. Het bestuur is immers (anders dan bij overige verblijfsrechtelijke vergunningaanvragen) voor zijn bewijsgaring grotendeels afhankelijk van (vaak meerdere) uitvoerige gehoren. Daarbij kan het aantal aanvragen zodanig fluctueren dat het lastig is om te bepalen welke redelijke structurele uitvoeringscapaciteit voorhanden dient te zijn om substantiële achterstanden te voorkomen. Dat de Procedurerichtlijn [3] voorziet in de mogelijkheid om vanwege de complexiteit van een aanvraag of vanwege massale instroom de beslistermijn te verlengen is een bevestiging van het bijzondere karakter van de asielprocedure.
6. De omstandigheid dat de wetgever in deze kenmerken van de asielprocedure eerder geen beletsel heeft gezien voor invoering van de dwangsomregeling in artikel 4:17 van Pro de Awb neemt naar het oordeel van de rechtbank niet weg dat diezelfde wetgever daar later, gezien de grote achterstanden die intussen waren ontstaan in de verwerking van asielaanvragen, anders over mocht denken. Nu door meerdere opeenvolgende oorzaken (coronapandemie, arbeidsmarktomstandigheden en geopolitieke ontwikkelingen) de achterstanden intussen structureel lijken te zijn geworden, kan daarbij worden vastgesteld dat de bestuurlijke dwangsomregeling in asielzaken niet bijdraagt aan een oplossing. Vanwege de vele extra geschillen die door de dwangsomregeling als zodanig worden gegenereerd, kan deze regeling zelfs bijdragen aan versterking van de capaciteitsproblemen, bij zowel de uitvoeringsorganisatie als de rechterlijke macht. Dat de bestaande uitvoeringsachterstanden mede zijn te wijten aan een, achteraf gezien, te ver ingekrompen uitvoeringscapaciteit doet niet af aan de inherent andere karakteristiek van de asielprocedure, zoals hiervoor is overwogen.
7. Evenmin kan worden gezegd dat door het niet langer toepassen van de regeling voor bestuurlijke dwangsommen, het voor de vreemdeling onmogelijk of onaanvaardbaar moeilijk wordt om zijn het recht op asiel te effecturen (het doeltreffendheidsbeginsel). De Procedurerichtlijn verplicht niet tot het opnemen van een dergelijke voorziening in de nationale wetgeving. Daarnaast doet het ontbreken van deze voorziening niet af aan de voor het bestuur bestaande wettelijke verplichting om binnen een vastgestelde termijn op de aanvraag te beslissen, noch aan de mogelijkheid om over de schending hiervan te klagen bij de rechter of aan de mogelijkheid dat diens uitspraak wordt afgedwongen met een rechterlijke dwangsom.
8. Nu artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet in dit geval de mogelijkheid van een bestuurlijke dwangsom uitsluit, kan eiser met zijn beroep niet bereiken wat hij wil, zodat ook in zoverre het procesbelang ontbreekt.
9. Het beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
10. Eiser heeft vanwege het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag beroep kunnen instellen bij de rechtbank. De rechtbank ziet daarom aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 379,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van €379,50 (driehonderdnegenzeventig euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 24 maart 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1485.
3.Richtlijn van 26 juni 2013 (2013/32/EU).