Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 31 augustus 2021. Verweerder heeft de aanvraag alsnog ingewilligd op 14 juli 2022, maar eiser handhaafde het beroep. De rechtbank beoordeelde of eiser in beroep kon komen tegen de vaststelling dat hij geen bestuurlijke dwangsommen verschuldigd is.
De Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND sluit de toepassing van de artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb uit op asielaanvragen, waardoor verweerder geen bestuurlijke dwangsommen kan verbeuren. Eiser stelde dat deze wet strijdig is met het Unierecht, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch.
De rechtbank overwoog dat de asielprocedure een specifiek karakter heeft dat wezenlijk verschilt van andere bestuursrechtelijke procedures, mede vanwege de complexiteit en fluctuaties in aanvragen. Hierdoor is het gelijkwaardigheidsbeginsel niet geschonden. Ook het doeltreffendheidsbeginsel wordt niet aangetast omdat het ontbreken van bestuurlijke dwangsommen niet leidt tot onmogelijkheid of onaanvaardbare moeilijkheden om het recht op asiel te effectueren.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Wel is verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser vanwege het niet tijdig beslissen. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.