ECLI:NL:RBDHA:2023:10082

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2023
Publicatiedatum
11 juli 2023
Zaaknummer
NL22.17617
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 4:19 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens te late beslissing asielaanvraag en proceskostenveroordeling

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Verweerder heeft op 3 februari 2023 alsnog een inwilligend besluit genomen, waardoor het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.

Eiser stelde verweerder op 22 augustus 2022 in gebreke en vorderde bestuurlijke en rechterlijke dwangsommen. De rechtbank oordeelt dat geen rechterlijke dwangsommen zijn opgelegd en dat de bestuurlijke dwangsommen sinds 11 juli 2021 zijn opgeschort voor asielaanvragen voor bepaalde tijd. Dit is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waardoor verweerder geen dwangsommen verschuldigd is.

De rechtbank veroordeelt verweerder wel tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50, vanwege de te late beslissing. De rechtbank behandelt de zaak zonder zitting en verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van €418,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.17617
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag.
Op 3 februari 2023 heeft verweerder alsnog een inwilligend besluit genomen op de aanvraag. Het beroep van eiser wordt geacht mede gericht te zijn tegen het inwilligend besluit.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Eiser heeft verweerder op 22 augustus 2022 in gebreke gesteld. Verweerder heeft vervolgens op 3 februari 2023 op zijn asielaanvraag beslist.
3. Verweerder heeft inwilligend beslist op de asielaanvraag van eiser. Nu hiermee tegemoet is gekomen aan het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.
Wat verzoekt eiser nog?
4. Eiser heeft bij de ingebrekestelling medegedeeld dat indien niet binnen twee weken na de dag van de ingebrekestelling wordt beslist op de aanvraag, verweerder in verzuim is en dwangsommen als bedoeld in artikel 4:17 lid 2 Awb Pro verbeurt. In het aanvullend beroepschrift van 10 oktober 2022 staat dat het beroep zich toespitst op de vraag of het
1. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
buiten toepassing verklaren van de bestuurlijke dwangsom middels artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen in strijd is met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel. Eiser concludeert in dat stuk dat hij van oordeel is dat ook in zijn zaak aanleiding bestaat verweerder te veroordelen tot het voldoen van dwangsommen vanaf het moment dat verweerder in verzuim was tot het moment van daadwerkelijk beslissen op de aanvraag van eiser.
5. Nadat verweerder op 3 februari 2023 het inwilligend besluit heeft genomen, heeft de gemachtigde van eiser het volgende bericht:
Eiser handhaaft evenwel zijn beroep, aangezien hij een uitspraak wil over de verbeurdverklaring van de rechterlijke dwangsommen en de proceskosten.
6. De rechtbank stelt vast dat eiser het steeds (kennelijk) heeft gehad over bestuurlijke dwangsommen en pas in het laatste bericht door eiser wordt gesproken over een verbeurdverklaring van rechterlijke dwangsommen. Daarbij geldt dat er geen rechterlijke dwangsommen zijn opgelegd, zodat van verbeurdverklaring van rechterlijke dwangsommen geen sprake kan zijn. De rechtbank zal ook geen rechterlijke dwangsommen opleggen omdat er reeds een beslissing is genomen door verweerder. Dat betekent dat het verzoek
alleen zou kunnen zien op bestuurlijke dwangsommen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
7. In de artikelen 4:17 tot en met 4:19 van de Awb staat dat het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen aan een betrokkene als het bestuursorgaan niet op tijd een beslissing neemt. Sinds 11 juli 2021 geldt de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet), waarin is bepaald dat deze artikelen niet van toepassing zijn als het gaat om een besluit op een asielaanvraag voor bepaalde tijd. Verweerder hoefde dus geen bestuurlijke dwangsommen meer te betalen als hij te laat beslist in dat soort zaken. De vraag ontstond of dit in strijd was met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 30 november 20222 is geoordeeld dat het opschorten van de bestuurlijke dwangsom geen strijd oplevert met het Unierechtelijke gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. Daarmee staat vast dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd als hij te laat beslist op een asielaanvraag voor bepaalde tijd. Het beroep dat is gericht tegen het alsnog genomen besluit is daarom ongegrond.
8. Over de vergoeding van de proceskosten die eiser vraagt overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken, nu het bestreden besluit van 3 februari 2023 te laat is genomen en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht is ingesteld door eiser. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en Pro 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
9. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op
€ 418,50. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden,
wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt
die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op eisers asielaanvraag;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van D.A.M. Delger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 maart 2023

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.