Uitspraak
Dexia Nederland B.V.,
1.De procedure
- het tussenvonnis van 19 mei 2022;
- de akte na tussenvonnis van [gedaagde01] ;
- de akte uitlaten productie van Dexia.
2.De verdere beoordeling
Ik, [gedaagde01] , verklaar het volgende:
.
Rechtbank Den Haag
De kantonrechter van de rechtbank Den Haag behandelde een zaak tussen Dexia Nederland B.V. en een particuliere gedaagde over effectenleaseovereenkomsten. Gedaagde voerde vernietiging van de overeenkomsten aan op grond van artikel 1:88/89 BW wegens dwaling. Dexia stelde dat de bevoegdheid tot vernietiging was verjaard. De rechtbank beoordeelde het verjaringsverweer aan de hand van verklaringen van gedaagde en diens echtgenote over hun financiële huishouding en kennis van de overeenkomsten.
Uit de verklaringen bleek dat de echtgenote pas na 13 maart 2000 daadwerkelijk bekend werd met de overeenkomsten. Dexia kon dit niet concreet tegenspreken met andere feiten of bewijs. De rechtbank oordeelde dat het verjaringsverweer onvoldoende was onderbouwd en verwierp dit. De vernietiging van de overeenkomsten werd daarom gegrond verklaard.
De rechtbank veroordeelde Dexia tot terugbetaling aan gedaagde van alle betaalde bedragen minus ontvangen dividenden en uitkeringen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 augustus 2006. Tevens werd Dexia veroordeeld in de proceskosten en nakosten, met een redelijke termijn voor nakoming. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de effectenleaseovereenkomsten en veroordeelt Dexia tot terugbetaling met wettelijke rente en proceskosten.