ECLI:NL:RBDHA:2023:10215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
13 juli 2023
Zaaknummer
NL23.3187
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod voor Oezbeekse vreemdeling

Eiser, een Oezbeekse nationaliteit dragende vreemdeling, verbleef op 25 januari 2023 niet rechtmatig in Nederland en werd werkend aangetroffen. Verweerder legde hem daarop een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van 28 dagen en een inreisverbod van één jaar op. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat de ophouding onrechtmatig was, het gelijkheidsbeginsel werd geschonden en dat rekening had moeten worden gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden.

De rechtbank verwierp het beroep op onrechtmatigheid van de ophouding, verwijzend naar een eerdere uitspraak. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat verweerder aannemelijk maakte dat er sprake was van een ambtelijke misslag bij het opleggen van inreisverboden aan andere Oezbeken, maar dat dit geen aanleiding gaf om het besluit te wijzigen.

Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van eiser oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij concreet uitzicht had op werk in andere EU-lidstaten en dat verweerder terecht rekening hield met de onzekere toekomstige situatie. Tevens wees de rechtbank op de mogelijkheid dat andere lidstaten een verzoek kunnen indienen om het inreisverbod op te heffen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. Verra en griffier A.C. Kampschuur op 11 juli 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.3187
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian) en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

In het besluit van 25 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van een jaar opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Omdat partijen hebben laten weten een zitting niet nodig te vinden, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1
2. Eiser heeft de Oezbeekse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1988. Op 25 januari 2023 verbleef hij niet rechtmatig in Nederland en is hij door medewerkers van de arbeidsinspectie werkend aangetroffen. Eiser is opgehouden en verweerder heeft hem vervolgens een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van achtentwintig dagen en een inreisverbod voor de duur van één jaar.
3. Eiser voert in beroep allereerst aan dat de ophouding die aan de oplegging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod voorafging, onrechtmatig is.
4. De rechtbank verwijst ten aanzien van deze beroepsgrond naar het oordeel dat zij hierover al heeft gegeven in de uitspraak van 22 februari 2023.2 De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser voert verder aan dat verweerder van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien, of anders op zijn minst de duur van het inreisverbod had moeten verkorten. Verweerder heeft volgens eiser het gelijkheidsbeginsel geschonden. Er zijn namelijk op 24 en 25 januari 2023 nog tien andere Oezbeken, ook zonder rechtmatig verblijf, werkend aangetroffen. Een deel van hen heeft geen inreisverbod gekregen, of slechts een inreisverbod
1. Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
van één jaar, waar anderen een inreisverbod van twee jaar opgelegd hebben gekregen. Eiser wijst concreet op de zaak NL23.3189.
6. De rechtbank oordeelt dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Verweerder heeft toegelicht dat er een misverstand is geweest in het opleggen van het inreisverbod. Door dit misverstand zijn aan vier van de in totaal elf aangetroffen vreemdelingen ten onrechte afwijkende besluiten opgelegd voor wat betreft de vertrektermijn en (de duur van) het inreisverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze informatie van verweerder te twijfelen. Volgens vaste rechtspraak strekt het gelijkheidsbeginsel niet zo ver dat een ambtelijke misslag moet worden herhaald.3
7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder van het opleggen van inreisverbod had moeten afzien, of de duur ervan had moeten verkorten, in verband met zijn persoonlijke omstandigheden. Eiser heeft voor weinig geld zware arbeid verricht in Nederland en verkeert in een kwetsbare positie ten opzichte van de aannemer voor wie hij heeft gewerkt. Vanwege het opgelegde inreisverbod kan eiser niet in andere lidstaten van de Europese Unie werken, waaronder Estland, Letland of Litouwen, waar hij stelt gemakkelijk werk te kunnen vinden.
8. Verweerder heeft ten aanzien hiervan gesteld dat de intentie om werk te vinden in een van bovenstaande landen moet worden gezien als een onzekere toekomstige gebeurtenis. Eiser beschikt ook niet over een tewerkstellingsvergunning of een andere geldige verblijfsvergunning om binnen Europa te verblijven. Indien een andere lidstaat een formeel verzoek indient bij Nederland om het inreisverbod op te heffen omdat deze lidstaat aan eiser een verblijfsvergunning wil verlenen, zal dit verzoek bovendien worden gehonoreerd, aldus verweerder.
9. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt. Uit het op 25 januari 2023 op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van gehoor bij het terugkeerbesluit en inreisverbod blijkt dat eiser is geïnformeerd over het tegen hem uit te vaardigen inreisverbod en de gevolgen daarvan. Eiser is erop gewezen dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden van het uitvaardigen van een inreisverbod kan worden afgezien, dan wel dat de duur daarvan kan worden verkort, en dat het aan hem is dergelijke omstandigheden aan te voeren. Uit het proces-verbaal blijkt dat tijdens het gehoor specifieke vragen aan eiser zijn gesteld, waaronder de vraag of eiser familie en/of zakelijke belangen heeft in Nederland of Europa. Eiser heeft hierop verklaard dat hij dit niet heeft. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit
momenteel anders is en dat hij concreet uitzicht heeft op werk in één van de genoemde landen. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarom op het standpunt kunnen stellen dat met deze onzekere toekomstige gebeurtenis geen rekening gehouden hoeft te worden. Bovendien heeft verweerder er terecht op gewezen dat de autoriteiten van een lidstaat waar eiser mogelijk in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning de Nederlandse autoriteiten kunnen verzoeken om het inreisverbod op te heffen en dat dit verzoek dan in beginsel zal worden gehonoreerd.4
10. Het beroep is ongegrond.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 25 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2058.
4 Zie paragraaf A4/2.5.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Verra, rechter, in aanwezigheid van A.C. Kampschuur, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
11 juli 2023

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.