ECLI:NL:RBDHA:2023:10377

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juli 2023
Publicatiedatum
17 juli 2023
Zaaknummer
NL23.17535
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bestuursorgaan in proceskosten wegens niet tijdig beslissen op bezwaar intrekking verblijfsvergunning

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning voor niet-tijdelijke humanitaire gronden. De staatssecretaris besloot niet tijdig op dit bezwaar, waarop verzoekster beroep instelde tegen het niet tijdig beslissen. Tijdens de procedure besloot de staatssecretaris alsnog op het bezwaar en verklaarde dit gegrond, waardoor de verblijfsvergunning niet werd ingetrokken.

Naar aanleiding hiervan trok verzoekster het beroep in en verzocht de rechtbank de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog te beslissen en het bezwaar gegrond te verklaren.

De rechtbank veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op €418,50, gebaseerd op de beroepsmatige rechtsbijstand. De wegingsfactor 'licht' werd toegepast omdat het beroep alleen betrekking had op het niet tijdig nemen van een besluit.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot betaling van €418,50 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17535

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoekster

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.W. van de Wege),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 8 september 2022 (primair besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning van verzoekster voor het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ met ingang van 8 juni 2022 ingetrokken.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
Op 15 juni 2023 heeft zij beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaarschrift.
Op 29 juni 2023 heeft verweerder alsnog op het bezwaar van verzoekster beslist. Het bezwaar is daarbij gegrond verklaard. Verweerder heeft besloten om de verblijfsvergunning niet in te trekken.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb [2] . Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Vast staat dat verweerder niet binnen de hiervoor geldende termijn op het bezwaar van verzoekster heeft besloten en dat verweerder hangende een beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog op het bezwaar heeft beslist. Daarmee is verweerder aan het beroep van verzoekster tegemoetgekomen.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht
2.Besluit proceskosten bestuursrecht