Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.De feiten
‘waarbij hij[voorzieningenrechter: [eiser] ]
liet weten de betreffende enveloppe eerst die dag geopend in zijn postvak te hebben aangetroffen’.
Rechtbank Den Haag
In deze kortgedingprocedure vordert eiser de opheffing van conservatoir beslag dat de Politie heeft gelegd op het recht van erfpacht van een bungalow die eiser mede-eigenaar is. De Politie stelt dat de vordering niet verjaard is omdat zij tijdig de verjaring heeft gestuit met een aangetekende brief, terwijl eiser betwist dat hij deze brief heeft ontvangen en stelt dat de vordering verjaard is.
De voorzieningenrechter overweegt dat de korte verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 3:310 lid 1 BW Pro) van toepassing is, omdat eiser onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld en dus niet meer strafrechtelijk vervolgd kan worden. De stuiting van de verjaring door de Politie met de brief van 4 juni 2020 is aannemelijk gemaakt door de ontvangstbevestiging, ondanks dat de brief aan een onjuist bungalownummer was geadresseerd.
De rechtbank acht het niet uitgesloten dat de brief toch in het juiste postvak is terechtgekomen en dat het risico van niet-ontvangst voor eiser komt. Ook het feit dat andere poststukken niet vlekkeloos worden bezorgd, ondersteunt deze conclusie. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van de Politie bij handhaving van het beslag zwaarder weegt dan het belang van eiser bij opheffing.
Daarom wijst de rechtbank de vordering van eiser af en veroordeelt hem in de kosten van het geding.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het conservatoir beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.