Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant 1] ,
[appellante 2],
[appellant 3],
allen wonende te [woonplaats 1] , België,
1.[geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats 2] ,
[geïntimeerde 2] ,wonende te [woonplaats 3] ,
[geïntimeerde 3] ,wonende te [woonplaats 4] ,
[geïntimeerde 4] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3150711/14-3884)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaardingen in hoger beroep met eiswijziging;
- het tegen [geïntimeerde 4] verleende verstek;
- de memorie van grieven van 27 oktober 2015 met producties;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 3] van 8 december 2015 met producties;
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van 8 december 2015.
3.De beoordeling
gelet op de positieve zijde van devolutieve werking van het hoger beroep alle door hen in eerste aanleg opgeworpen, onbehandelde of verworpen stellingen te onderzoeken.” [appellanten] verliezen hier uit het oog dat de door hen bedoelde devolutieve werking de stellingen en weren van de
geïntimeerdepartij betreffen. Een appellant echter dient door middel van een grief aan de wederpartij en aan de rechter duidelijk te maken op welke grond hij vernietiging van de bestreden uitspraak wenst en tegen welk – bepaald – punt in het bestreden vonnis de grief is gericht. Aan dit vereiste voldoet het in de memorie van grieven van [appellanten] onder randnummer 2.1 gestelde niet. Voor zover [appellanten] in de (toelichting op de) grieven duidelijke stellingen hebben betrokken, wordt daarop in de beoordeling nader ingegaan.
Indien de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, een strafbaar feit oplevert waarop de Nederlandse strafwet toepasselijk is, verjaart de rechtsvordering tot vergoeding van schade tegen de persoon die het strafbaar feit heeft begaan niet zolang het recht tot strafvordering niet door verjaring of door de dood van de aansprakelijke persoon is vervallen.”
nog wel strafrechtelijk vervolgd kan worden. In de Memorie van Toelichting (MvT, Kamerstukken II 2010/11, 32 853, nr. 3, onderdeel 1) is te lezen:
(…) In zo’n geval doet zich de situatie voor dat het slachtoffer van het misdrijf geen schadevergoeding kan vorderen, terwijl de schuldige aan het misdrijf nog wel strafrechtelijk vervolgd kan worden of wellicht zelfs als verdachte in een strafprocedure betrokken is. In dit laatste geval is het voor de benadeelde ook niet meer mogelijk om in de strafprocedure als gevoegde partij schadevergoeding te vorderen. Het voorstel beoogt met het oog hierop de civielrechtelijke verjaringstermijn te verlengen (…).”
Algemene verlenging van de civielrechtelijke verjaringstermijn zolang nog strafvervolging kan worden ingesteld”
De enige categorie misdrijven waarvoor voorkomen wordt dat de civiele verjaringstermijn kan zijn verstreken op een moment dat nog wel een strafvordering kan worden ingesteld, zijn die hierboven genoemde zedenmisdrijven begaan tegen kinderen. Er is reden om deze verlenging van de civielrechtelijke verjaringstermijn uit te breiden tot rechtsvorderingen tot vergoeding van schade veroorzaakt dooralle(vetgedrukt door hof; in tekst MvT cursief)
strafbare feiten. Anders kan zich ook voor andere strafbare feiten de onwenselijke situatie voordoen dat het slachtoffer van dat feit geen schadevergoeding kan vorderen, terwijl de schuldige aan het strafbare feit nog wel strafrechtelijk vervolgd kan worden (…)
1. Inleiding”:
(…) Hiermee wordt de principieel onwenselijke situatie voorkomen dat een slachtoffer van een strafbaar feit op enig moment geen schadevergoeding meer kan vorderen, terwijl de dader van dat feit nog wel strafrechtelijk vervolgd kan worden en wellicht zelfs als verdachte in een strafprocedure betrokken is. (…)
nietmeer strafrechtelijk vervolgd worden. [geïntimeerden] zijn immers allen reeds onherroepelijk veroordeeld, althans daarvan dient in dit geding te worden uitgegaan. Iedere aanwijzing dat de in 2009 op tegenspraak gewezen strafvonnissen nog niet onherroepelijk zijn geworden, ontbreekt immers. Aldus moet er van uit worden gegaan dat [geïntimeerden] niet meer strafrechtelijk vervolgd kunnen worden. De situatie die de wetgever met de invoering van artikel 3:310 lid 4 BW Pro heeft willen voorkomen (de civiele vordering van de benadeelde is verjaard, terwijl de dader/aansprakelijke persoon nog wel strafrechtelijk kan worden vervolgd) doet zich hier dan ook niet voor. De vraag of de vorderingen van [appellanten] zijn verjaard dient dan te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in de artikelen 3:310 lid 1 BW en 3:316 leden 1 en 2 BW.
omvangdaarvan mogelijk nog niet exact vast te stellen. In ieder geval waren [appellanten] daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot vergoeding van de ten gevolge van het incident geleden schade in te stellen.
Het hof verenigt zich met de oordelen van de kantonrechter op deze punten (4.4.2 tot en met 4.5 van het bestreden vonnis).
ingestelde eis”, de tweede op “
een daad van rechtsvervolging” en dat het hier om twee verschillende stuitingshandelingen gaat met ieder een eigen uitzondering op de stuitende werking. Het hof volgt [appellanten] hierin niet.
Artikel 3:316 lid 1 respectievelijk Pro lid 2 luidt als volgt:
1. De verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt.2. Leidt een ingestelde eis niet tot toewijzing, dan is de verjaring slechts gestuit, indien binnen zes maanden, nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Wordt een daad van rechtsvervolging ingetrokken, dan stuit zij de verjaring niet.”
anderedaad van rechtsvervolging. Een “
ingestelde eis” is dus een “
daad van rechtsvervolging”. Lid 2 regelt in welke gevallen zo’n eis/daad van rechtsvervolging toch geen stuitende werking heeft. Daarbij is zowel de situatie geregeld waarin de eis niet tot toewijzing leidt, als waarin de eis wordt ingetrokken.
In deze zaak is de vordering benadeelde partij niet toegewezen en evenmin hebben [appellanten] tijdig (als bedoeld in het tweede lid van artikel 3:316 BW Pro) een nieuwe eis ingesteld. De door [appellanten] ingestelde vorderingen benadeelde partij in de strafprocedures tegen [geïntimeerden] hebben dus geen stuitende werking gehad.
Kamerstukken II2008/09, 31758, 3, p. 4-5).
4.De uitspraak
€ 311,-- aan griffierecht en op € 632,-- aan salaris advocaat en aan de zijde van [geïntimeerde 4] op nihil;