Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
(vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 20 september 2021. Verweerder heeft de asielaanvraag bij besluit van 12 augustus 2022 ingewilligd, maar eiser handhaaft het beroep gericht op bestuurlijke dwangsommen.
De rechtbank overweegt dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND uitsluit dat artikelen 4:17 tot en met 4:19 en 8:55c van de Awb worden toegepast op besluiten op asielaanvragen, waardoor geen bestuurlijke dwangsommen kunnen worden opgelegd. Eiser betoogt dat deze wet in strijd is met het Unierecht, met name het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem die tot onverbindendheid van de Tijdelijke wet kwam, maar stelt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 30 november 2022 heeft geoordeeld dat de Tijdelijke wet niet in strijd is met het Unierecht. De Afdeling oordeelde dat er geen vergelijkbare nationaalrechtelijke procedures zijn en dat rechterlijke dwangsommen als alternatief beschikbaar zijn.
Daarom ontbreekt het procesbelang van eiser om het beroep voort te zetten. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt verweerder in de proceskosten van €418,50 wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van €418,50.