De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 1 juli 2023 aan eiser, een vreemdeling van Algerijnse nationaliteit, de maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Deze maatregel werd genomen vanwege een concreet aanknopingspunt voor een overdracht op grond van de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken.
Eiser stelde zich op het standpunt dat een minder dwingende maatregel mogelijk was en dat hij bereid was zelfstandig terug te keren naar België, waar zijn familie woont. De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris terecht aannam dat een lichter middel niet doeltreffend zou zijn, mede omdat op het moment van inbewaringstelling nog niet vaststond dat België verantwoordelijk was voor de asielaanvraag en uiteindelijk Duitsland de verantwoordelijke lidstaat bleek.
De rechtbank concludeerde dat de gronden voor bewaring, waaronder het niet beschikken over geldige reisdocumenten, het niet melden bij de autoriteiten en het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan, voldoende waren om het significant risico op onderduiken aan te nemen. Ook werd vastgesteld dat de staatssecretaris voortvarend werkte aan de overdracht, die gepland stond op 19 juli 2023.
De rechtbank vond geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.