ECLI:NL:RVS:2019:3663
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen uitspraak over vreemdelingenbewaring en inspanningsverplichting staatssecretaris
De vreemdeling werd op 26 oktober 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag had het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de maatregel van bewaring rechtsgeldig was ondertekend en dat de overschrijding van de ophoudingstermijn van 18 minuten niet leidde tot onrechtmatigheid, aangezien het gehoor binnen de termijn had plaatsgevonden. Ook werd geoordeeld dat de staatssecretaris terecht geen toepassing gaf aan artikel 59, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 omdat de vreemdeling niet zelfstandig kon vertrekken.
Hoewel de staatssecretaris niet volledig aan zijn inspanningsverplichting had voldaan door niet eerder een lp-traject te starten, was de bewaring niet onrechtmatig vanwege de ernst van de gronden voor bewaring. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.