4.2.In artikel 19, eerste lid, van de WW is bepaald dat geen recht op WW-uitkering bestaat als een van de in onderdeel a tot en met l genoemde uitsluitingsgronden van toepassing is. Een van de uitsluitingsgronden (onderdeel e) is buiten Nederland wonen of verblijf houden anders dan wegens vakantie.
In artikel 19, derde lid, van de WW is bepaald dat er geen recht is op uitkering voor de werknemer zolang de rechtens geldende opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzeggen of schriftelijke overeenstemming.
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eisers zou de eerste werkloosheidsdag moeten worden vastgesteld op 1 mei 2021. Dit blijkt ook uit het besluit van 4 juni 2021 dat het UWV niet heeft ingetrokken. In dit geval zou eiser wel voldoen aan de weken-eis. Aanvullend stelt eiser dat de eerste werkloosheidsdag zelfs vastgesteld kan worden op 9 april 2021. Dit blijkt volgens eiser uit artikel 17, tweede lid, van de WW. Omdat artikel 19, derde lid, van de WW door het UWV is toegepast, is de eerste werkloosheidsdag de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden. Dit is in dit geval 9 april 2021. Eiser betoogt verder dat het UWV zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, onder e, van de WW van toepassing is vanwege zijn verblijf in het buitenland. Eiser stelt dat de oorspronkelijke geplande vakantieperiode, 28 maart 2021 tot en met 12 april 2021, niet valt onder de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, onder e, van de WW. De noodgedwongen verlenging van deze vakantie dient ook als vakantie te worden aangemerkt. Het UWV verwijst volgens eiser in dit verband ten onrechte op het besluit van 4 juni 2021. Eiser is niet tegen dit besluit in beroep gegaan omdat er bij hem het vertrouwen was gewekt, middels voorlichting van het UWV, dat hij in aanmerking zou komen voor een WW-uitkering bij terugkomst in Nederland. Aanvullend was eiser wegens de lastige positie waarin hij verkeerde niet in staat om Nederlandse juridische hulp in te schakelen waardoor hij niet in beroep kon gaan tegen het besluit van 4 juni 2021. Eiser voert ten slotte aan dat het UWV in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door het besluit van 16 augustus 2021 in te trekken.
Het oordeel van de rechtbank
De eerste werkloosheidsdag
6. De rechtbank stelt voorop dat het besluit van 4 juni 2021, waarin een eerdere aanvraag van eiser om een WW-uitkering te verlenen is afgewezen, in rechte onaantastbaar is. Voor zover eiser en het UWV zich op het standpunt stellen dat met dit besluit in rechte vast staat wat de eerste dag van werkloosheid is, dan wel of de uitsluitingsgrond van artikel 19, eerste lid, onder e, van de WW van toepassing is, volgt de rechtbank dit niet. Volgens vaste rechtspraak ziet de formele rechtskracht van een besluit immers uitsluitend op de met dat besluit tot stand gebrachte rechtsgevolgen en niet op de daaraan ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard.Dat betekent dat de vraag naar de eerste werkloosheidsdag en de toepassing van de uitsluitingsgrond in deze procedure ten volle aan de orde kunnen komen.