ECLI:NL:RBDHA:2023:10746

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2023
Publicatiedatum
21 juli 2023
Zaaknummer
AWB 22/4278
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 32 VisumcodeVerordening (EG) nr. 810/2009
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij visumaanvraag kort verblijf

Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht op 3 november 2021 om een visum voor kort verblijf voor familiebezoek bij haar tante, die als referente optrad. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af op grond van onvoldoende bewijs van het verblijfsdoel, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over terugkeer.

Eiseres stelde dat zij voldoende bewijs had geleverd voor haar familierelatie, middelen en binding met haar land van herkomst. Tijdens de procedure trok de oorspronkelijke referente zich echter terug, stellende dat eiseres niet van plan was terug te keren naar Marokko. Eiseres overwoog daarop een nieuwe garantsteller aan te wijzen.

De rechtbank beoordeelde ambtshalve het procesbelang en concludeerde dat door het terugtrekken van de oorspronkelijke referente het beoogde verblijfsdoel niet meer kan worden verwezenlijkt. Hierdoor ontbrak een actueel en reëel belang bij de beroepsprocedure, zodat het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De overige beroepsgronden behoefden geen bespreking meer.

Er werd geen aanleiding gezien tot proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een actueel en reëel procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/4278

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiseres

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. El Kadi),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Epema).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 27 juni 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft een reactie op het verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2023 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij heeft op 3 november 2021 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf voor familiebezoek bij haar tante, A. Ezzafzafi, die optreedt als referente.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op drie gronden, zoals genoemd in artikel 32 van Pro de Visumcode [1] : eiseres heeft het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf niet aangetoond, zij heeft niet aangetoond dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor haar terugreis, en er bestaat redelijke twijfel over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
3. Eiseres heeft tegen de verschillende onderdelen van deze beoordeling beroepsgronden aangevoerd. Zij stelt zich op het standpunt dat de familierelatie met referente wel degelijk voldoende is onderbouwd, dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikt en dat overtuigend heeft aangetoond, en dat er sprake is van zodanige sociale en economische binding met haar land van herkomst dat verweerder er redelijkerwijs niet aan kon twijfelen dat zij zou terugkeren.
4. Op 2 december 2022, dus na het bestreden besluit en hangende het beroep, heeft referente een brief aan verweerder gestuurd waarin ze meldt dat zij zich terugtrekt als referente omdat zij zegt van eiseres te hebben vernomen dat die niet van plan is om weer terug te gaan naar Marokko.
5. Eiseres heeft naar aanleiding van deze brief aanvullende beroepsgronden ingediend en documenten overgelegd ter onderbouwing van een nieuwe garantstelling bij een andere persoon. Eiseres meent dat er geen sprake is van een wijziging van het verblijfsdoel, aangezien haar voorgenomen verblijf nog steeds valt onder het kopje op het aanvraagformulier ‘verblijf bij familie of vrienden’. Zij voert bovendien aan dat zij ten onrechte niet is gehoord over haar bezwaar.
6. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiseres een procesbelang heeft bij haar beroepsprocedure. Hiervan is sprake als de indiener een actueel en reëel belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn of haar beroep [2] . Gegeven het feit dat de bestuursrechter gehouden is een ex tunc toetsing uit te voeren [3] , en zijn beoordeling dus baseert op het toepasselijke recht zoals dat gold en de relevante feiten die zich voordeden op het moment van het nemen van het bestreden besluit, beoordeelt de rechter de aanvraag van eiseres voor verblijf bij haar oorspronkelijke referente. Nu deze referente niet langer als zodanig optreedt, kan het beoogde doel bij het beroep niet meer worden verwezenlijkt. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. De door eiseres overigens aangevoerde gronden behoeven geen bespreking meer.
7. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, op de hieronder vermelde datum en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:518.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:379.