ECLI:NL:RBDHA:2023:10759

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2023
Publicatiedatum
21 juli 2023
Zaaknummer
22_7419
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 170 Wegenverkeerswet 1994Art. 24 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen wegsleepen auto bij tijdelijk parkeerverbod wegens twijfel kentekenlijst

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om zijn auto weg te slepen en in bewaring te nemen vanwege het parkeren op een plek met een tijdelijk parkeerverbod.

De rechtbank stelde vast dat het parkeerverbod gold van 14 tot 15 augustus 2023 en dat het verkeersbord dat het verbod aankondigde pas op 5 augustus 2023 was geplaatst. Eiser betoogde dat zijn auto al op 4 augustus geparkeerd stond, dus vóór het bord was geplaatst. Hij onderbouwde dit met een verklaring van zijn schoonzoon en bezoekersvergunningen.

Verweerder voerde aan dat kort voor het plaatsen van het bord een kentekenlijst was opgemaakt van voertuigen die al geparkeerd stonden; voertuigen op deze lijst mochten kosteloos verplaatst worden. Het kenteken van eiser stond niet op deze lijst. De rechtbank oordeelde dat de onderbouwde betwisting van eiser voldoende twijfel opriep over de juistheid van de kentekenlijst.

Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder moet het griffierecht van €184,- aan eiser vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen, met vergoeding van het griffierecht aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/7419

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: D. van der Klaauw).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit om zijn voertuig weg te slepen en in bewaring te stellen.
1.1.
Verweerder heeft bij besluit van 16 augustus 2023 eiser op de hoogte gesteld van dat zijn voertuig is weggesleept en in bewaring is genomen. Met het besluit van 8 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en voornoemde gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 14 augustus 2023 stond de auto van eiser geparkeerd aan de [openbare weg] in Den Haag. Op die locatie gold van 14 augustus 2023 06:00 uur tot 15 augustus 23:00 uur een parkeerverbod vanwege een evenement in verband met de Indiëherdenking. Dit verbod was aangegeven met een verkeersbord E1, geplaatst op 5 augustus 2023. Verweerder heeft de auto van eiser op 14 augustus 2023 weggesleept omdat deze stond geparkeerd in overtreding met het verkeersbord en de plaats nodig was voor op en afrijdende leveranciers betrokken bij het evenement.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat hij niet op de hoogte was van het parkeerverbod. In bezwaar betoogt hij dat hij het verkeersbord niet heeft (kunnen) (ge)zien. In beroep betoogt hij dat zijn auto er al geparkeerd stond voordat het verkeersbord met daarop de wegsleepregeling was geplaatst.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder kan een voertuig wegslepen en in bewaring nemen op het moment dat een bij de Wegenverkeerswet vastgesteld voorschrift wordt overtreden en het noodzakelijk is in verband met het vrijhouden van de aangewezen weggedeelten en wegen. [1] Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat vlak voordat het verkeersbord werd geplaatst de kentekens van de auto’s die daar al geparkeerd stonden zijn genoteerd op een kentekenlijst. Indien deze auto’s er nog stonden tijdens het parkeerverbod zijn ze kosteloos verplaatst naar een plek waar ze mogen staan. De auto’s die er tijdens het verbod geparkeerd staan en niet op de kentekenlijst staan worden weggesleept en bewaard. In dat laatste geval dient de overtreder daarvan de kosten te betalen. In eisers geval betreft dat € 356,-.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn auto heeft geparkeerd op een weggedeelte waar op enig moment dat hij daar geparkeerd stond een tijdelijk parkeerverbod van kracht was. Het is de vraag of eiser zijn auto al had geparkeerd voordat het verkeersbord dat waarschuwde voor het tijdelijk verbod werd geplaatst.
6. Vaststaat dat het kenteken van eiser niet staat vermeld op de kentekenlijst die kort voor het plaatsten van het verkeersbord op ambtseed is opgemaakt. Als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in zo’n op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het proces-verbaal weergeeft. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. [2]
Eiser heeft de volledigheid van de kentekenlijst betwist en verklaard dat hij op 4 augustus 2022 in Den Haag is aangekomen. Hij heeft eerst kort zijn auto geparkeerd bij zijn dochter en schoonzoon, in wiens huis hij twee weken zou verblijven. Die zelfde dag nog is de auto verplaatst naar de [openbare weg], omdat je daar gratis mag parkeren. Eiser heeft deze stelling onderbouwd met een verklaring van zijn schoonzoon die aangeeft met zijn eigen auto meegereden te zijn naar de [openbare weg], zodat zijn schoonvader en hij daarna samen terug konden rijden naar de woning. Deze verklaring is ook onderbouwd door een uitdraai van de bezoekersvergunningen van de dochter en schoonzoon. Hieruit blijkt weliswaar niet dat de auto op 4 augustus 2022 werd geparkeerd op de [openbare weg], maar wel bevestigt dit de verklaring van eiser en zijn schoonzoon dat eiser al op 4 augustus 2022 in Den Haag is aangekomen en op de bezoekersvergunning is aangemeld en dat de auto nog diezelfde avond weer van de bezoekersvergunning is afgemeld en dus inderdaad is verplaatst.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met zijn onderbouwde betwisting zodanige twijfel aan de bevindingen in de kentekenlijst doen rijzen dat deze niet aan de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarbij weegt ook mee dat eiser al in zijn bezwaarschrift heel concreet heeft aangegeven dat hij de auto al op 4 augustus 2022 op de [openbare weg] heeft geparkeerd. Op dat moment wist hij nog niet dat het bord pas de dag erna werd geplaatst. Deze datum heeft verweerder voor het eerst in de beslissing op het bezwaar genoemd. Deze omstandigheid bevestigt de oprechtheid en authenticiteit van de verklaring en geeft daarmee overtuigingskracht aan zijn betwisting.

Conclusie en gevolgen

7.
De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond. Dat betekent dat verweerder het voertuig van eiser weliswaar heeft mogen verwijderen, maar dat dit kosteloos had moeten gebeuren, net als bij de op de kentekenlijst genoemde voertuigen die er nog tijdens het verbod stonden. De rechtbank zal dan ook het primaire besluit herroepen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu eiser zelf heeft geprocedeerd. Wel dient verweerder eiser het griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • herroept het primaire besluit;
  • bepaalt dat verweerder eiser het griffierecht van € 184,- dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
21 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 170, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wegenverkeerswet 1994, in samenhang met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, derde onderdeel, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State, van 30 september 2020, (ECLI:NL:RVS:2020:2323).