ECLI:NL:RVS:2020:2323
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen bij renovatiewerkzaamheden
De staatssecretaris legde appellant een boete op van €3.000 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder vergunning werkzaamheden verrichtte bij een woning die appellant bezit. Na bezwaar werd de boete verlaagd naar €2.000. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad overwoog dat appellant als eigenaar van de woning feitelijk arbeid heeft laten verrichten door de vreemdeling, die puin aan het scheppen was tijdens renovatiewerkzaamheden. De verklaring van de vreemdeling dat hij slechts aan het vegen was, werd niet geloofd vanwege strijdigheid met het proces-verbaal en fotobewijs. De Raad bevestigde dat voor het werkgeversbegrip in de Wav geen instemming of kennis vereist is, enkel feitelijk laten verrichten van arbeid.
Appellant voerde aan dat hem geen verwijt treft en dat de werkzaamheden vrijwillig waren, maar de Raad benadrukte de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever om te voldoen aan de Wav. De boete was proportioneel en matiging werd niet gerechtvaardigd geacht. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €2.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen.