ECLI:NL:RBDHA:2023:1076

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2023
Publicatiedatum
3 februari 2023
Zaaknummer
NL22.24671
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 13 DublinverordeningArt. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 22 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië op grond van Dublinverordening

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 9 mei 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam de aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 10 april 2022 illegaal Italië was binnengekomen. Op grond van de Dublinverordening werd Italië verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser voerde aan dat hij op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening in aanmerking zou moeten komen voor behandeling in Nederland vanwege zijn oudere broer die rechtmatig in Nederland verblijft en jaren als pleegouder voor hem heeft gezorgd. Tevens beriep hij zich op artikel 8 EVRM Pro over het recht op familieleven en op de discretionaire bevoegdheid van verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in artikel 16 Dublinverordening Pro. Eiser is meerderjarig en heeft verklaard niet afhankelijk te zijn van zijn broer en niet bij hem te willen verblijven. Ook de overige gezinsbepalingen en het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalden. Verweerder hoefde daarom geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Het beroep werd ongegrond verklaard.

De rechtbank wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.24671

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.C.A. Koen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.M.H.W. van Heerebeek).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2023 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.M.A. Al-Harbia. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum]. Hij heeft op 9 mei 2022 een asielaanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw [1] niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 10 april 2022 Italië illegaal is ingereisd. Verweerder heeft daarom de autoriteiten van Italië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. [2] Doordat de Italiaanse autoriteiten hier niet binnen twee maanden op hebben gereageerd, geldt op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening dat het overnameverzoek is aanvaard.
3. Eiser voert hiertegen aan dat verweerder zijn asielaanvraag in behandeling had moeten nemen op grond van de artikelen 16 dan wel 17 van de Dublinverordening. Eiser stelt dat zijn oudere broer rechtmatig in Nederland verblijft en dat deze broer jarenlang voor hem als pleegouder heeft gezorgd. Eiser meent dat jongvolwassenen die het pleegkind van hun oudere broer zijn ook voor bescherming in aanmerking komen op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening. Om die reden dient dit artikel toegepast te worden vanuit het beginsel van de verplichte bescherming van het familieleven, in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Zou dit niet worden gevolgd, dan had verweerder volgens eiser gebruik moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Verweerder dient inzichtelijk te maken waarom hij hier geen gebruik van maakt, anders maakt hij zich schuldig aan willekeur, aldus eiser.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd overwogen dat niet is gebleken van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Dublinverordening tussen eiser en diens gestelde broer. Eiser is meerderjarig en heeft de gestelde afhankelijkheid met zijn eveneens meerderjarige broer niet onderbouwd met documenten. Daarnaast heeft eiser juist verklaard niet afhankelijk te zijn van de gestelde broer en niet bij hem te willen verblijven. [3] Nu de vereiste afhankelijkheidsrelatie aldus niet aannemelijk is geworden, is toepassing van artikel 16 van Pro de Dublinverordening niet aan de orde. Nu ook de overige gezinsbepalingen uit de Dublinverordening niet van toepassing zijn, slaagt het beroep van eiser op artikel 8 van Pro het EVRM evenmin. Zoals verweerder opmerkt is de Dublinverordening er weliswaar op gericht om gezinsleden zoveel mogelijk bij elkaar te houden, maar is de Dublinprocedure niet bedoeld voor reguliere gezinshereniging.
5. Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat in eisers geval Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming.
6. Nu niet is gebleken van afhankelijkheid tussen eiser en de gestelde broer, heeft verweerder in zoverre ook geen aanleiding hoeven zien om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken. Eiser heeft overigens geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd. Dat verweerder naar de mening van eiser onvoldoende inzicht geeft in de wijze waarop hij die bevoegdheid pleegt toe te passen, leidt dan niet tot een geslaagd beroep.
7. Het beroep is daarom ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Pagina 4, rapport aanmeldgehoor Dublin.