ECLI:NL:RBDHA:2023:1076
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië op grond van Dublinverordening
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 9 mei 2022 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam de aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 10 april 2022 illegaal Italië was binnengekomen. Op grond van de Dublinverordening werd Italië verantwoordelijk geacht voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser voerde aan dat hij op grond van artikel 16 van Pro de Dublinverordening in aanmerking zou moeten komen voor behandeling in Nederland vanwege zijn oudere broer die rechtmatig in Nederland verblijft en jaren als pleegouder voor hem heeft gezorgd. Tevens beriep hij zich op artikel 8 EVRM Pro over het recht op familieleven en op de discretionaire bevoegdheid van verweerder op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in artikel 16 Dublinverordening Pro. Eiser is meerderjarig en heeft verklaard niet afhankelijk te zijn van zijn broer en niet bij hem te willen verblijven. Ook de overige gezinsbepalingen en het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalden. Verweerder hoefde daarom geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Het beroep werd ongegrond verklaard.
De rechtbank wees het beroep af zonder proceskostenveroordeling en wees op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag.