Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning, die door verweerder was vastgesteld op €277.000 voor het jaar 2021. Zij stelde dat er onvoldoende rekening was gehouden met achterstallig onderhoud en verzocht tevens om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Dit bleek uit een waardematrix waarin vergelijkingsobjecten waren opgenomen die qua type, bouwjaar en ligging goed vergelijkbaar waren. Verweerder had ook met een vijfpuntsschaal rekening gehouden met de onderhoudstoestand, waarbij een score van 2 was gehanteerd. Eiseres had dit niet met stukken onderbouwd.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met ruim twee maanden was overschreden. Echter, omdat eiseres in een machtiging had verklaard dat eventuele vergoedingen rechtstreeks aan haar gemachtigde zouden worden betaald, werd geen immateriële schadevergoeding toegekend.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.