Verzoeker, van Syrische nationaliteit, diende op 25 februari 2021 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. Deze aanvraag werd op 20 oktober 2021 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen. Verzoeker diende daarop op 9 november 2021 een bezwaarschrift in. Nadat verweerder het bezwaar op 10 maart 2023 gegrond verklaarde, trok verzoeker het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De rechtbank stelde vast dat verweerder aan verzoeker tegemoet was gekomen door alsnog een beslissing te nemen op het bezwaar. Op grond van artikel 8:75a Awb kan in een dergelijk geval de rechtbank het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten. Verweerder reageerde niet op het verzoek om proceskostenvergoeding.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van € 418,50 aan proceskosten, gebaseerd op een puntensysteem uit het Besluit proceskosten bestuursrecht en een wegingsfactor van 0,5 vanwege de beperkte aard van het beroep. Verzoeker was vrijgesteld van griffierecht, zodat dit niet hoefde te worden vergoed.
Deze uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.