ECLI:NL:RBDHA:2023:11132

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2023
Publicatiedatum
27 juli 2023
Zaaknummer
NL23.19239
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken procesbelang

Eiser, van Somalische nationaliteit, diende op 14 oktober 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris wees deze aanvraag op 28 juni 2023 af als kennelijk ongegrond en legde een inreisverbod van twee jaar op.

De staatssecretaris meldde dat eiser op 27 mei 2023 met onbekende bestemming was vertrokken. Ondanks dat de gemachtigde van eiser het beroep handhaafde, was het laatste contact met eiser in juni 2023. Tijdens de zitting op 25 juli 2023 was eiser niet aanwezig en had zijn gemachtigde zich afgemeld.

De rechtbank volgt vaste rechtspraak dat bij vertrek met onbekende bestemming zonder contact met gemachtigde wordt aangenomen dat geen prijs meer wordt gesteld op bescherming. Aangezien eiser in juni contact had, maar daarna asiel aanvroeg in Duitsland en in juli in Zwitserland werd gesignaleerd, concludeert de rechtbank dat het procesbelang is vervallen.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.19239

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris

(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum]. Hij heeft op 14 oktober 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 28 juni 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond. De staatssecretaris heeft tevens bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod opgelegd voor twee jaren.
2. De staatssecretaris heeft de rechtbank op 20 juli 2023 bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 21 en 24 juli 2023 op dit bericht gereageerd.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juli 2023 op zitting behandeld, samen met zaak NL23.19240. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de staatssecretaris. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. De staatssecretaris heeft in zijn bericht van 20 juli 2023 gesteld dat eiser blijkens een melding van het COA op 27 mei 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens desgevraagd bij bericht van 21 en 24 juli 2023 verklaard dat hij het beroep handhaaft en dat het laatste contactmoment met eiser in juni was.
4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] dient, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de staatssecretaris te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit te worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
5. Uit de informatie van de staatssecretaris blijkt dat eiser op 5 juni 2023 in Duitsland asiel heeft aangevraagd en dat hij op 11 juli 2023, dus na het laatste contactmoment met de gemachtigde, in Zwitserland is gesignaleerd. De rechtbank gaat er onder de gegeven omstandigheden vanuit dat eiser geen aanspraak meer wenst te maken op de door hem gezochte bescherming in Nederland en derhalve op een behandeling van het door hem ingestelde beroep. Dat betekent dat het procesbelang hangende de beroepsprocedure is komen te vervallen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de uitspraak van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579