ECLI:NL:RBDHA:2023:11392
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Bruinse - Pot
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wegens beëindiging relatie
Eiseres had een verblijfsvergunning regulier als familie- of gezinslid bij haar ex-partner. Na melding van beëindiging van de relatie trok de staatssecretaris de vergunning met terugwerkende kracht per 4 december 2021 in. Eiseres stelde dat de intrekking niet met terugwerkende kracht mocht plaatsvinden en dat zij onevenredig werd getroffen door het verblijfsgat.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris bevoegd was de intrekking terugwerkend toe te passen, omdat vanaf die datum niet meer werd voldaan aan de voorwaarden voor verblijf. Het bezwaar van eiseres tegen de intrekking werd als kennelijk ongegrond beoordeeld, waardoor de hoorplicht niet gold. De rechtbank verwierp ook het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan dat de vergunning niet zou worden ingetrokken.
Verder stelde de rechtbank dat het verblijfsgat niet onevenredig was, mede vanwege de forse termijnoverschrijding tussen het intrekkingsbesluit en de nieuwe aanvraag van eiseres. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de intrekking van haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht blijft in stand.