Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [nummer] , eiseres
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Den Haag
Eiseres maakte bezwaar tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was inmiddels opgeheven voordat de zitting plaatsvond, waardoor de rechtbank alleen beoordeelde of er recht op schadevergoeding bestond.
De rechtbank constateerde dat de staandehouding van eiseres formeel onjuist was uitgevoerd op grond van artikel 50a in plaats van artikel 50, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit gebrek werd echter niet als ernstig genoeg beoordeeld om de daaropvolgende bewaring onrechtmatig te verklaren, omdat de belangen van de staatssecretaris zwaar wogen en de bewaring noodzakelijk en proportioneel was.
Verder oordeelde de rechtbank dat de staatssecretaris voldoende had gewezen op het belang van het aanvoeren van persoonlijke omstandigheden voor het toepassen van een lichter middel. Eiseres had de gelegenheid gekregen haar persoonlijke situatie toe te lichten, en de beslissing om geen lichter middel toe te passen was adequaat gemotiveerd.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was en dat er geen schadevergoeding verschuldigd was. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres vanwege het geconstateerde gebrek in het voortraject.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen; de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.