Eiser diende op 16 april 2022 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou op 16 oktober 2022 aflopen. De staatssecretaris verlengde echter de beslistermijn met negen maanden vanwege een groot aantal aanvragen, conform artikel 42, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser stelde de staatssecretaris op 18 oktober 2022 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en diende op 2 november 2022 beroep in tegen het uitblijven van een besluit. De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling prematuur was omdat de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig was en de termijn op dat moment nog niet was verstreken.
Daarom voldoet het beroep niet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af.