ECLI:NL:RBDHA:2023:11884

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2023
Publicatiedatum
9 augustus 2023
Zaaknummer
SGR 22/5298
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken procesbelang bij verleende evenementenvergunning na evenement

Bij besluit van 26 april 2022 verleende het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest een evenementenvergunning voor een kindervrijmarkt op 5 mei 2022. Eiser maakte bezwaar tegen deze vergunning, maar dit bezwaar werd bij besluit van 21 juli 2022 niet-ontvankelijk verklaard omdat het evenement al had plaatsgevonden.

Eiser stelde beroep in tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende procesbelang had bij het beroep, aangezien het evenement reeds was gehouden en hij geen inhoudelijke argumenten aanvoerde. De rechtbank verwees naar vaste rechtspraak dat in beginsel geen procesbelang bestaat bij vergunningen voor reeds gehouden evenementen, tenzij sprake is van herhaling of aantoonbare schade.

Omdat eiser dit niet aannemelijk maakte en het evenement niet repeterend was, werd het beroep ongegrond verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan op 9 maart 2023 door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard wegens ontbreken van procesbelang omdat het evenement al heeft plaatsgevonden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5298

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2023 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

en

de burgemeester van Oegstgeest,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oegstgeest, verweerders,

(gemachtigden: D.M.M. van der Zwet en mr. A. Kooij).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2022 (het primaire besluit) hebben verweerders een evenementenvergunning verleend voor een kindervrijmarkt op 5 mei 2022 te Oegstgeest.
Bij besluit van 21 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 15 februari 2023 via een videoverbinding behandeld. Eiser heeft hieraan niet deelgenomen. De gemachtigden van verweerders wel.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1.
Eiser vindt dat de evenementenvergunning niet had mogen worden verleend.
2. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en stelt dat eiser niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.1.
Verweerder heeft het bezwaar ook niet-ontvankelijk verklaard, omdat het evenement al heeft plaatsgevonden en eiser met zijn bezwaar niet meer kan bereiken wat hij wil.
Heeft eiser nog belang bij een beslissing op zijn beroep?
3. De rechtbank moet eerst beoordelen of eiser voldoende procesbelang heeft bij zijn beroep nu het evenement waarvoor een evenementenvergunning is verleend al heeft plaatsgevonden.
3.1.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [1] kan worden afgeleid dat in beginsel geen procesbelang meer is bij een inhoudelijk oordeel over de vraag of een evenementenvergunning had mogen worden verleend, als het evenement al heeft plaatsgevonden. Er kan een uitzondering worden gemaakt, als aannemelijk is dat nieuwe besluiten over soortgelijke situaties zullen volgen en het evenement dus bijvoorbeeld jaarlijks plaatsvindt. Het belang bij een inhoudelijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van een verleende vergunning kan dan zijn gelegen in de omstandigheid dat het inhoudelijk oordeel kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen voor een vergunning en de toetsing daarvan. Ook kan procesbelang bestaan indien de betrokkene stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk hierdoor is geleden.
4. De rechtbank leest in de beroepsgronden van eiser geen inhoudelijke argumenten.
Nu het evenement al heeft plaatsgevonden, heeft verweerder eisers bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft dit standpunt van verweerder niet weersproken. Het standpunt van verweerder dat het repeterend karakter van het evenement niet maakt dat altijd procesbelang aanwezig blijft, laat de rechtbank daarom onbesproken.
5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.R. van Veen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:164.