ECLI:NL:RBDHA:2023:11903

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 augustus 2023
Publicatiedatum
10 augustus 2023
Zaaknummer
NL22.22354
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens alsnog besluit vreemdelingenaanvraag

Verzoeker diende op 24 maart 2022 een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis. Nadat de Staatssecretaris niet tijdig een besluit nam, stelde verzoeker op 2 november 2022 beroep in tegen deze besluiteloosheid.

Op 18 januari 2023 verleende de Staatssecretaris alsnog de aanvraag, waarna verzoeker het beroep introk en een vergoeding van proceskosten vorderde. De rechtbank stelde de Staatssecretaris in de gelegenheid te reageren, die verklaarde de proceskosten te zullen vergoeden.

De rechtbank oordeelde dat de proceskostenvergoeding terecht is, omdat de Staatssecretaris aan verzoeker tegemoet is gekomen door alsnog een besluit te nemen. De kosten voor rechtsbijstand werden vastgesteld op € 418,50, waarbij een lichte wegingsfactor werd toegepast gezien het beperkte onderwerp van het beroep.

De rechtbank veroordeelde de Staatssecretaris tot vergoeding van deze proceskosten conform de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten van € 418,50 na intrekking van het beroep wegens alsnog genomen besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22354

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde:

Inleiding

Verzoeker heeft op 24 maart 2022 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] (referent) in het kader van nareis.
Op 2 november 2022 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Bij besluit van 18 januari 2023 heeft verweerder de aanvraag verleend.
Verzoeker heeft vervolgens het beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft gereageerd en verklaard de proceskosten te zullen vergoeden.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
De rechtbank stelt vast dat verweerder aan verzoeker tegemoet is gekomen door hangende het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een beslissing te nemen op de aanvraag van verzoeker van 24 maart 2022.
Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om vergoeding van de proceskosten kennelijk gegrond is.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift ter waarde van € 837,- en wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, in aanwezigheid van
P.W. Karsowidjojo, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.