Eiser, van Ethiopische nationaliteit, diende op 18 oktober 2022 een asielaanvraag in na zijn binnenkomst op 5 oktober 2022. De staatssecretaris stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser zonder mededeling niet verscheen voor het nader gehoor en met onbekende bestemming was vertrokken. Tevens werd een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser stelde dat zijn aanvraag als ingetrokken moest worden beschouwd omdat hij op 5 april 2023 naar Ethiopië was teruggekeerd en dit kenbaar had gemaakt. De rechtbank oordeelde dat een intrekking van een aanvraag uitdrukkelijk moet zijn en dat de enkele e-mail en de zienswijze onvoldoende bewijs boden van daadwerkelijke intrekking of vertrek. Er was geen notitie in het dossier van intrekking bij vertrek en eiser was na zijn vermeende vertrek nog bereikbaar geweest.
De rechtbank vond het terugkeerbesluit en inreisverbod terecht omdat eiser zonder adres was vertrokken en er sprake was van risico op onttrekking aan toezicht. Het inreisverbod werd niet als buitenproportioneel beoordeeld omdat eiser onvoldoende had onderbouwd waarom hiervan afgeweken zou moeten worden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit bleef in stand.