ECLI:NL:RVS:2014:4319
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in bewaring gesteld zonder voorafgaand terugkeerbesluit is onrechtmatig
De vreemdeling werd op 16 september 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring op 2 oktober 2014 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht tevens om een schadevergoeding.
De kern van het geschil betrof de vraag of de inbewaringstelling terecht was, nu de vreemdeling stelde dat zij nooit een asielaanvraag had willen indienen en dat de staatssecretaris had moeten beoordelen of een terugkeerbesluit moest worden genomen. Uit het proces-verbaal bleek echter dat de vreemdeling aanvankelijk had verklaard asiel te willen aanvragen, en pas later haar asielaanvraag introk via haar gemachtigde.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris de intrekking van de asielaanvraag door de gemachtigde had moeten erkennen en dat het terugkeerbesluit uiterlijk op 23 september 2014 had moeten worden genomen. Omdat dit pas op 24 september 2014 gebeurde, was de voortzetting van de bewaring vanaf 23 september onrechtmatig. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, kende een vergoeding toe voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige bewaring.