Eiseres, eigenaar van een schoolgebouw uit 1987, betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van €2.920.000 voor het jaar 2021. Zij stelde dat de waarde te hoog was vastgesteld vanwege een te hoge restwaarde en onvoldoende correctie voor technische veroudering. Verweerder kon zijn stelling onvoldoende onderbouwen, mede doordat hij niet tijdig alle relevante stukken had overgelegd, wat de procesorde schaadde.
De rechtbank oordeelde dat verweerder niet aan zijn bewijslast had voldaan en dat eiseres met een taxatiematrix aannemelijk had gemaakt dat de waarde lager moest zijn, namelijk €2.616.000. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en wijzigde de beschikking dienovereenkomstig. Verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.