Eiser, een militair reservist, werd geschorst en later ontslagen wegens het verstrekken van onjuiste adres- en financiële gegevens bij zijn aanstelling. De Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst stelde vast dat eiser niet het correcte adres had opgegeven en dat hij mogelijk banden had met personen met jihadistische achtergrond. Tevens week zijn opgegeven financiële situatie af van de werkelijke situatie.
De Commandant en de staatssecretaris van Defensie namen besluiten tot schorsing en ontslag op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder n, van het AMAR. Eiser voerde aan dat hij te goeder trouw had gehandeld en dat de grondslag voor ontslag ontbrak, maar de rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij te goeder trouw was.
De rechtbank stelde vast dat het niet vermelden van het adres en het verstrekken van onjuiste financiële gegevens als misleiding konden worden aangemerkt en dat dit de aanstelling had kunnen belemmeren. Ook was de schorsing gerechtvaardigd vanwege het dienstbelang. De beroepen van eiser werden ongegrond verklaard, waarmee de schorsing en het ontslag rechtmatig zijn verklaard.