De zaak betreft een bestuursrechtelijk geschil over een woning aan een adres in Den Haag, waarbij het college van burgemeester en wethouders een last onder dwangsom, een bestuurlijke boete en de invordering van een dwangsom heeft opgelegd wegens overtreding van de Huisvestingswet 2014 en het Bouwbesluit 2012.
De inspecties van november 2020 en februari 2021 vormden de basis voor deze besluiten. Verweerder stelde dat de woning was omgezet van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte en dat er meer personen woonden dan toegestaan zonder dat zij een duurzame gezamenlijke huishouding vormden.
Eiseres voerde aan dat verweerder onvoldoende zorgvuldig had vastgesteld wie hoofdverblijf hadden in de woning en dat er sprake was van een samengesteld gezin dat een gezamenlijke huishouding voerde. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de verblijfsstatus en de aard van de huishouding van de bewoners, dat de motivering ontoereikend was en dat de overtredingen niet voldoende waren vastgesteld.
Daarom werd het bestreden besluit vernietigd, met de opdracht aan verweerder om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, en werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.