ECLI:NL:RBDHA:2023:12275
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht aan Duitsland
Verzoeker heeft op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 beroep ingesteld tegen de voorgenomen feitelijke overdracht aan Duitsland, gepland op 3 augustus 2023. Omdat tegen deze overdracht nog bezwaar openstond, verzocht verzoeker tevens om een voorlopige voorziening om de overdracht uit te stellen totdat op het bezwaar is beslist.
De voorzieningenrechter beoordeelt of de overdracht verboden moet worden vanwege een redelijke kans van slagen van het bezwaar. Uit jurisprudentie volgt dat bezwaar tegen een voorgenomen feitelijke uitzetting beperkt is tot nieuwe feiten of omstandigheden die de rechtmatigheid van de overdracht kunnen beïnvloeden.
Verzoeker voerde meerdere gronden aan, waaronder het belang om aanwezig te zijn bij een zitting over inbewaringstelling, vermeende systeemtekorten in Duitsland, mogelijke strafrechtelijke detentie en medische behandeling. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze gronden onvoldoende nieuw of relevant zijn en dat de rechtmatigheid van de overdracht niet wordt aangetast.
Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht aan Duitsland wordt afgewezen.