ECLI:NL:RVS:2020:1952
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- H. Troostwijk
- J.A.W. Scholten-Hinloopen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen voorgenomen feitelijke uitzetting vreemdelingen
De vreemdelingen maakten op 23 oktober 2018 bezwaar tegen hun voorgenomen feitelijke uitzetting op 25 oktober 2018, maar de voorzieningenrechter wees hun verzoek tot voorlopige voorziening af. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De vreemdelingen gingen in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het bezwaar op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 beperkt is tot de wijze waarop de staatssecretaris de bevoegdheid tot uitzetting uitoefent. Ten tijde van het bezwaar liep een procedure op grond van artikel 64 Vw Pro 2000 waarin de rechtmatigheid van de uitzetting kon worden getoetst. Het bezwaar moest worden gezien als een aanvulling op een verzoek tot voorlopige voorziening in die procedure.
De voorzieningenrechter had zich reeds uitgelaten over de rechtmatigheid van de voorgenomen uitzetting en deze niet onrechtmatig bevonden. Daarom was er geen ruimte voor de staatssecretaris om apart te beslissen op het bezwaar, en was het terecht niet-ontvankelijk verklaard. Eventuele onrechtmatigheden tijdens of na de feitelijke uitzetting kunnen in andere procedures aan de orde worden gesteld.
Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.