ECLI:NL:RBDHA:2023:12659

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 augustus 2023
Publicatiedatum
24 augustus 2023
Zaaknummer
NL22.23873
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling bij beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag

Eiser diende op 21 september 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na afwijzing van de aanvraag op 24 juni 2021 ging eiser in beroep. De rechtbank oordeelde in december 2021 dat het beroep gegrond was en verweerder een nieuw besluit moest nemen. Omdat verweerder niet tijdig besliste, stelde eiser hem in gebreke en startte een procedure tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank stelde een dwangsom vast voor iedere dag dat de beslistermijn werd overschreden.

Eiser stelde opnieuw beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit, waarna verweerder op 30 januari 2023 alsnog een besluit nam. Eiser trok daarop het beroep in en verzocht om een proceskostenveroordeling. Verweerder stelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat de rechterlijke dwangsom nog niet was volgelopen bij indiening van het beroep. De rechtbank volgde dit niet en oordeelde dat er procesbelang was op het moment dat de dwangsom wel was volgelopen.

De rechtbank veroordeelde verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €418,50, omdat verweerder aan het beroep tegemoet was gekomen door alsnog een besluit te nemen. De uitspraak is gedaan door rechter S.G.M. van Veen op 14 augustus 2023.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot betaling van €418,50 aan proceskosten aan eiser.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL22.23873
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N. Hamzaoui).

Procesverloop

Op 21 september 2019 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij besluit van 24 juni 2021 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft op 21 december 2021 (NL21.10517) geoordeeld dat het beroep gegrond is en dat verweerder een nieuw besluit moet nemen.
Eiser heeft verweerder op 23 juni 2022 in gebreke gesteld omdat verweerder nog niet op zijn asielaanvraag had beslist. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Bij uitspraak van 28 oktober 2022 (NL22.13551) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit, vernietigd. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om uiterlijk binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Verder heeft de rechtbank bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor iedere dag dat deze beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.
Op 22 november 2022 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Op 30 januari 2023 is alsnog een besluit genomen op zijn asielaanvraag.
Op 1 februari 2023 heeft eiser zijn beroep ingetrokken en een verzoek gedaan om een proceskostenveroordeling.
De rechtbank heeft het verzoek op 25 juli 2023 op zitting behandeld. Hier zijn verschenen eiser, mr. D. van Elp als waarnemer van de gemachtigde van eiser, J.A. Boko als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Deze uitspraak ziet op een door verzoeker gedaan verzoek om een proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Omdat het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van het besluit en verweerder inmiddels een besluit heeft genomen, is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker.
4. Verzoeker heeft tijdens de bezwaarfase niet verzocht om vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten. De beoordeling hierna over de gevraagde proceskostenveroordeling beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding, omdat het beroep niet-ontvankelijk was. Eiser heeft zijn beroep namelijk ingesteld op het moment dat de rechterlijke dwangsom die bij uitspaak van 28 oktober 2022 was opgelegd nog niet was volgelopen. Daarom kon eiser op dat moment redelijkerwijs niet in een gunstigere positie komen door het nieuwe beroep. Verweerder verwijst hiervoor naar een uitspaak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem.1
6. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. Over de situatie waarbij een beroep niet tijdig wordt ingesteld op het moment dat de rechterlijke dwangsom nog niet is volgelopen, heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank in zo’n situatie bij haar uitspraak moet betrekken of de rechtelijke dwangsom wel is volgelopen op het moment dat zij het onderzoek sluit.2 In de onderhavige zaak is het beroep echter ingetrokken voordat de rechtbank het onderzoek heeft kunnen sluiten. De rechtbank vindt daarom relevant of er op enig moment nadat beroep is ingesteld en voordat het beroep is ingetrokken procesbelang is geweest. Dat is het geval. Op 25 januari 2023 is de maximale rechterlijke dwangsom van
€ 7.500,- volgelopen. Op 30 januari 2023 heeft verweerder een besluit op de aanvraag genomen. Eiser heeft in de tussenliggende periode dus procesbelang gehad. Het beroep was daarom ontvankelijk, en eiser heeft recht op proceskosten.
7. Het verzoek wordt toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 418,50 (1 punt voor
2 Afdeling 29 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:190.
het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- met een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Ruizendaal - van der Veen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
14 augustus 2023

Documentcode: [documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.