ECLI:NL:RBDHA:2023:12683

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 augustus 2023
Publicatiedatum
24 augustus 2023
Zaaknummer
NL22.13896
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-tijdig beslissen op asielaanvraag met proceskostenvergoeding

Eiseres, van Eritrese nationaliteit, diende op 29 september 2020 een asielaanvraag in. Nadat de staatssecretaris niet tijdig had beslist, stelde eiseres hem op 24 januari 2022 in gebreke en stelde op 19 juli 2022 beroep in wegens niet-tijdig beslissen. Op 12 december 2022 werd alsnog inhoudelijk beslist op de aanvraag, waarna tegen dat besluit apart beroep werd ingesteld.

De rechtbank oordeelt dat het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat het besluit inmiddels is genomen en het beroep zich richt op het eerdere niet tijdig beslissen. De rechtbank wijst het verweer van de staatssecretaris dat het beroep prematuur was af, maar stelt vast dat het belang van eiseres in het beroep is komen te vervallen.

Wel wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, omdat de beslistermijn van negen weken die de rechtbank Zwolle had opgelegd was verstreken zonder tijdige beslissing. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €418,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht met een lichte wegingsfactor.

De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en griffier R.E.J. Jansen en is openbaar gemaakt op 24 augustus 2023. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wegens niet-tijdig beslissen wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding van €418,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.13896

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

(gemachtigde: L. Rossingh).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld wegens het niet-tijdig beslissen op haar asielaanvraag. Eiseres stelt van Eritrese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1975. Zij heeft op 29 september 2020 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
1.1.
Eiseres heeft de staatssecretaris op 24 januari 2022 in gebreke gesteld omdat hij niet-tijdig heeft beslist op de aanvraag. Op 19 juli 2022 heeft eiseres beroep ingesteld wegens niet-tijdig beslissen.
1.2.
De staatssecretaris heeft met het bestreden besluit van 12 december 2022 de aanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.3.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onderzoek ter zitting achterwege gelaten. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Gronden
Beroep wegens niet-tijdig beslissen
2. Eiseres heeft op 19 juli 2022 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de asielaanvraag van 20 september 2020. Zij heeft in de aanvullende beroepsgronden van 3 augustus 2022 vermeld dat de staatssecretaris een uitspraak van nevenzittingsplaats Zwolle van 16 mei 2022 heeft genegeerd, waarin de staatssecretaris is opgedragen om binnen negen weken te beslissen (uiterlijk op 18 juli 2022). Eiseres heeft verzocht om haar te compenseren voor de periode vanaf 6 juli 2022 tot aan de datum van het bestreden besluit.
Oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank stelt allereerst vast dat in deze procedure centraal staat het door eiseres op 19 juli 2022 ingestelde beroep wegens niet-tijdig beslissen. Nadat dit beroep is ingediend is bij besluit van 12 december 2022 inhoudelijk beslist op de asielaanvraag van eiseres. Tegen dat besluit is apart beroep ingesteld bij deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle.
Op 20 april 2023 is inzake dat beroep uitspraak gedaan. De rechtbank Zwolle heeft dat beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 december 2022 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen opnieuw te beslissen. Op het beroep niet-tijdig beslissen van
19 juli 2022 is nog niet beslist door de rechtbank.
4. De stelling van de staatssecretaris in het verweerschrift dat het onderhavige beroep niet-tijdig beslissen prematuur is ingediend, volgt de rechtbank niet. Het gaat in deze procedure niet om het niet-tijdig beslissen naar aanleiding van het gegrond verklaarde beroep door de rechtbank op 20 april 2023, maar om het beroep niet-tijdig beslissen voorafgaand aan het inhoudelijke besluit van 12 december 2022.
5. Nu de staatssecretaris met het besluit van 12 december 2022 reeds een besluit op de asielaanvraag van eiseres heeft genomen, heeft eiseres geen belang meer bij haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag. Nu tegen het besluit op de asielaanvraag apart beroep is ingesteld, dat beroep ook is behandeld door de rechtbank en inmiddels heeft geleid tot een uitspraak, heeft het onderhavige beroep niet-tijdig beslissen daarom niet op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb mede betrekking op dat alsnog genomen besluit.
6. Dat betekent dat het beroep niet tijdig beslissen van 19 juli 2022 naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk is.
7. Eiseres krijgt wel een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige zaak van belang is dat de beslistermijn van negen weken die de rechtbank Zwolle in een eerdere uitspraak van 16 mei 2022 (zaak NL22.4664) aan de staatssecretaris heeft opgelegd, is verstreken zonder dat de staatssecretaris tijdig een beslissing op de asielaanvraag van eiseres heeft genomen. Pas op 12 december 2022, een half jaar na het instellen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, heeft de staatssecretaris beslist op de asielaanvraag. De rechtbank zal de staatssecretaris dan ook veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van eiseres tot een bedrag
van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.