Eiseres, van Eritrese nationaliteit, diende op 29 september 2020 een asielaanvraag in. Nadat de staatssecretaris niet tijdig had beslist, stelde eiseres hem op 24 januari 2022 in gebreke en stelde op 19 juli 2022 beroep in wegens niet-tijdig beslissen. Op 12 december 2022 werd alsnog inhoudelijk beslist op de aanvraag, waarna tegen dat besluit apart beroep werd ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk is omdat het besluit inmiddels is genomen en het beroep zich richt op het eerdere niet tijdig beslissen. De rechtbank wijst het verweer van de staatssecretaris dat het beroep prematuur was af, maar stelt vast dat het belang van eiseres in het beroep is komen te vervallen.
Wel wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, omdat de beslistermijn van negen weken die de rechtbank Zwolle had opgelegd was verstreken zonder tijdige beslissing. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op €418,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht met een lichte wegingsfactor.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en griffier R.E.J. Jansen en is openbaar gemaakt op 24 augustus 2023. Eiseres kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.