ECLI:NL:RBDHA:2023:12700
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris om zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. De rechtbank heeft het beroep op 8 augustus 2023 behandeld en beoordeelt of het besluit rechtmatig is.
De rechtbank oordeelt dat uit de Eurodac-registratie blijkt dat eiser op 30 januari 2023 in Oostenrijk een asielaanvraag heeft ingediend, waarmee Oostenrijk verantwoordelijk is. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat Griekenland verantwoordelijk zou zijn. Ook is vastgesteld dat Oostenrijk via een fictief claimakkoord de behandeling van de aanvraag garandeert.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer kan worden toegepast vanwege systeemgebreken in Oostenrijk, zoals opvangcrisis en tekortkomingen in de basiszorg. De rechtbank volgt dit niet, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze omstandigheden nog actueel zijn of op hem van toepassing zijn.
Ten slotte heeft eiser betoogd dat hij nauwere familiebanden in Nederland heeft en dat de aanvraag daarom in Nederland behandeld zou moeten worden. De rechtbank stelt dat de staatssecretaris terughoudend is in het toepassen van deze discretionaire bevoegdheid en dat eiser onvoldoende bijzondere omstandigheden heeft aangetoond.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de staatssecretaris in stand blijft en de asielaanvraag niet in Nederland wordt behandeld.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is.