ECLI:NL:RVS:2017:2625
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Verantwoordelijkheid lidstaat voor behandeling asielaanvragen volgens Dublinverordening bevestigd
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de besluiten van 29 juli 2016 vernietigde, waarbij aanvragen van twee Syriërs om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling werden genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling.
De rechtbank had geoordeeld dat niet was aangetoond dat de vreemdelingen in Duitsland een asielaanvraag hadden ingediend die in behandeling was genomen, mede op basis van een e-mail en een brief van het Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (BAMF). De staatssecretaris stelde zich op het standpunt dat registratie in het Eurodac-systeem onder categorie 1 voldoende bewijs is dat de vreemdelingen hun asielverzoek in Duitsland kenbaar hebben gemaakt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat de registratie in Eurodac, gecombineerd met het feit dat Duitsland niet binnen de wettelijke termijn heeft gereageerd op het terug- en overnameverzoek en daardoor van rechtswege akkoord is gegaan, voldoende bewijs vormt dat Duitsland verantwoordelijk is. De afwezigheid van een BÜMA-document doet hieraan niet af. De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het de rechtsgevolgen van de besluiten niet in stand liet en bepaalt dat deze rechtsgevolgen volledig blijven. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De besluiten van de staatssecretaris blijven in stand en Duitsland is verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvragen.