Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2023:12879

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2023
Publicatiedatum
29 augustus 2023
Zaaknummer
21/5591
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om handhaving tegen onzelfstandige bewoning woning

Eiser diende een verzoek tot handhaving in omdat in een woning meer dan twee personen zouden wonen die meer dan één huishouden vormen, wat volgens hem niet is toegestaan. Verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop, wees dit verzoek af omdat er geen sprake zou zijn van onzelfstandige bewoning. Na bezwaar werd het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard, maar bleef het in stand met een aangepaste motivering.

Eiser voerde in beroep aan dat hij preventieve handhaving wenst om toekomstige overtredingen te voorkomen, met verwijzing naar brandveiligheid en overlast. De rechtbank oordeelde dat handhaving alleen mogelijk is bij een overtreding of klaarblijkelijke dreiging daarvan. Omdat ten tijde van het bestreden besluit geen overtreding meer was en eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat toekomstige overtredingen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zullen plaatsvinden, is preventieve handhaving niet gerechtvaardigd.

De overige aangevoerde gronden behoefden geen bespreking meer. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter R.H. Smits op 17 juli 2023.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/5591

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2023 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop

(gemachtigden: F. Zorn en I. Kuipers).
Als derde-partij nemen aan deze zaak deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2]uit [woonplaats] , gemeente [gemeenteplaats] .

Procesverloop

In het besluit van 7 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder het handhavingsverzoek van eiser betreffende de woning van de derde-partij aan de [adres] [nummer] te [plaats] afgewezen.
In het besluit van 28 juli 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit in stand gelaten met een aangepaste motivering.
De rechtbank heeft het beroep op 20 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en gemachtigden van verweerder. De derde-partij is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

1.1
In een brief van 23 september 2020 heeft eiser bij verweerder een verzoek tot handhaving ingediend, aangezien er volgens eiser in de woning aan de [adres] [nummer] te [plaats] (hierna: de woning) meer dan twee personen, in totaal vier personen, wonen en deze personen meer dan één huishouden vormen. Eiser stelt dat de woning een pension- of logiesfunctie heeft maar dat die functie niet is toegestaan.
1.2
In het primaire besluit heeft verweerder eisers handhavingsverzoek afgewezen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat geen sprake is van onzelfstandige bewoning en dat dus geen sprake is van een overtreding. In de woning voeren de twee bewoners van de woning samen één zelfstandig huishouden.
1.3
Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift van 3 mei 2021 heeft hij vermeld: “het onzelfstandig gebruik van appartement nummer [nummer] door de inwoning van 2 extra personen is inmiddels een aantal weken beëindigd”.
1.4
De commissie voor de bezwaarschriften (de commissie) heeft geadviseerd het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, omdat aan het primaire besluit geen zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt. Omdat er op het moment van het advies van de commissie geen sprake meer is van onzelfstandige bewoning van de woning in strijd met de bestemmingsplanregels en er geen reële dreiging aanwezig is dat die alsnog zal plaatsvinden, concludeert de commissie dat het primaire besluit in stand kan blijven, zij het onder de aan de nieuwe omstandigheden aangepaste motivering.
1.5
Eisers bezwaar tegen het primaire besluit is bij het bestreden besluit gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het advies van de commissie geheel overgenomen.
1.6
In beroep heeft eiser - kort samengevat –aangevoerd dat de onzelfstandige bewoning van de woning weliswaar is beëindigd, maar dat hij met zijn verzoek om handhaving wil voorkomen dat in de toekomst opnieuw een dergelijke overtreding in de woning plaatsvindt. Eiser acht onzelfstandige bewoning van de woning niet toelaatbaar, omdat dan niet kan worden voldaan aan de brandveiligheidseisen en het tot overlast leidt. Verweerder stelt ten onrechte dat er geen grond is voor preventieve handhaving. Er is geen bijzondere omstandigheid aanwezig op grond waarvan verweerder zou kunnen afzien van handhavend optreden. Verder heeft eiser aangevoerd dat het niet zijn taak is om onderzoek naar de onzelfstandige bewoning van de woning te doen. Verweerder heeft echter nagelaten zorgvuldig onderzoek te doen, en daarom heeft eiser het op zich moeten nemen om feitelijke waarnemingen te doen. Tenslotte heeft eiser gronden aangevoerd ten aanzien van het begrip huishouden in het bestemmingsplan.
2.1
Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat daartegen handhavend kan optreden in de regel van die bevoegdheid gebruik moeten maken en mag verweerder het slechts onder omstandigheden niet doen. Op grond van artikel 5:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is handhavend optreden echter alleen mogelijk als sprake is van een overtreding of als klaarblijkelijk gevaar voor een overtreding dreigt. Van klaarblijkelijke dreiging van gevaar voor een overtreding is volgens vaste rechtspraak [1] sprake als een overtreding met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden en voldaan wordt aan de voorwaarde dat die overtreding in het besluit kan worden omschreven met een mate van zekerheid die uit oogpunt van rechtszekerheid is vereist.
2.2
De rechtbank stelt voorop dat verweerder op basis van het in rechtsoverweging 1.3 vermelde citaat uit het bezwaarschrift mocht aannemen dat, voor zover er al sprake was van een overtreding, daarvan ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake (meer) was. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt geteld dat ten tijde van het bestreden besluit geen sprake was van een overtreding die tot handhavend optreden noopte.
2.3
Voor zover eiser met zijn verzoek om handhaving wil bewerkstelligen dat onzelfstandige bewoning van de woning in de toekomst voorkomen wordt, ziet het verzoek op preventieve handhaving. In dat kader heeft hij nog steeds een procesbelang.
2.4
Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat onzelfstandige bewoning van de woning met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. De enkele stelling dat hij wil voorkomen dat in de toekomst weer een overtreding zal plaatsvinden is daartoe onvoldoende. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten om preventief handhavend op te treden.
2.5
Het voorgaande leidt ertoe dat de overige door eiser aangevoerde gronden geen bespreking meer behoeven.
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2438.