Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, (gemachtigde: mr. R.A. Visser).
Procesverloop
Inleiding
Bestreden besluit
Beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank daarover
tijdelijkebescherming te bieden.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Nigeriaanse derdelander met een tijdelijk verblijfsrecht in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland op basis van de Richtlijn 2001/55/EG en het uitvoeringsbesluit. De staatssecretaris beëindigde deze bescherming per 4 september 2023, omdat derdelanders met tijdelijk Oekraïens verblijfsrecht die vóór 19 juli 2022 in de BRP waren ingeschreven niet langer onder de richtlijn vallen.
Eiser stelde dat de staatssecretaris niet bevoegd was deze bescherming te beëindigen en dat dit in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel en evenredigheidsbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris bevoegd is omdat lidstaten facultatieve bepalingen mogen toepassen en terugdraaien. De beëindiging is niet in strijd met het Unierecht, noch met het vertrouwen dat eiser mocht hebben, aangezien er geen concrete toezeggingen waren over de duur van de bescherming.
Ook het betoog dat de bescherming met terugwerkende kracht is verkort, werd verworpen. De rechtbank stelde vast dat de staatssecretaris de bescherming verlengde tot 4 september 2023 en dat er geen sprake is van nadelige gevolgen door deze verlenging. Het evenredigheidsbeginsel werd niet geschonden, mede gezien de hoge opvangdruk en het doel van de richtlijn om massale toestroom te voorkomen.
De rechtbank concludeerde dat de belangen van de Nederlandse Staat zwaarder wegen en dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming passend en noodzakelijk is. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming is ongegrond verklaard.