De zaak betreft een verzoek tot voorlopige voorziening tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om het recht op tijdelijke bescherming van verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, te beëindigen per 4 september 2023. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en verzocht om schorsing van het besluit, zodat hij gebruik kan blijven maken van de eerder verleende rechten.
De voorzieningenrechter heeft het onderzoek op grond van artikel 8:83, vierde lid, Awb achterwege gelaten en het verzoek tot voorlopige voorziening beoordeeld. Gelet op het spoedeisend belang en de belangenafweging is het verzoek toegewezen. Daarbij is verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.
De voorlopige voorziening houdt in dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker als begunstigde van de Richtlijn moet worden aangemerkt totdat op het beroep is beslist. Deze uitspraak heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.