De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van 23 augustus 2023 waarbij het recht op tijdelijke bescherming van verzoeker, een derdelander uit Oekraïne, per 4 september 2023 werd beëindigd. Dit besluit hield tevens een terugkeerbesluit in, waardoor verzoeker vanaf die datum geen gebruik meer kon maken van de rechten op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382.
Verzoeker stelde op 31 augustus 2023 beroep in tegen het bestreden besluit en verzocht de voorzieningenrechter het besluit te schorsen zodat hij zijn rechten kon behouden. De voorzieningenrechter besloot het onderzoek ter zitting achterwege te laten en sloot het onderzoek. Gezien de spoedeisendheid en de belangenafweging werd het verzoek tot voorlopige voorziening toegewezen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het oordeel voorlopig is en geen bindende werking heeft in een bodemprocedure. Er werd verwezen naar een eerdere, soortgelijke uitspraak. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 837,00. De voorlopige voorziening houdt in dat verweerder verzoeker als begunstigde van de Richtlijn moet blijven aanmerken en de verstrekte voorzieningen en rechten moet continueren totdat op het beroep is beslist.