Opposante maakte pro forma bezwaar tegen het niet afgeven van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid. De rechtbank kwalificeerde dit bezwaar als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op de mvv-aanvraag en verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het binnen de termijn van twee weken na ingebrekestelling werd ingediend.
Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring stelde opposante verzet in. De rechtbank beoordeelde in het verzet uitsluitend of de eerdere beslissing terecht was genomen zonder zitting, waarbij het oordeel buiten redelijke twijfel moest staan.
Opposante stelde dat het bezwaar ten onrechte als een beroep niet tijdig beslissen was aangemerkt. De rechtbank oordeelde echter dat het bezwaar terecht als zodanig was gekwalificeerd en dat het beroep prematuur was ingediend, waardoor het verzet ongegrond werd verklaard.
De uitspraak van 31 mei 2023 bleef daarmee in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.