ECLI:NL:RBDHA:2023:13433
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden na aangifte mensenhandel
Eiseres, afkomstig uit Uganda, diende een asielaanvraag in en deed vervolgens aangifte van mensenhandel. De staatssecretaris weigerde haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor tijdelijke humanitaire gronden toe te kennen, omdat het Openbaar Ministerie geen vervolging instelde wegens gebrek aan opsporingsindicaties in Nederland. Eiseres stelde dat zij ten onrechte geen bedenktijd had gekregen om haar aangifte voor te bereiden, wat volgens haar in strijd was met de richtlijn 2004/81/EG.
De rechtbank oordeelde dat de afwijzing terecht was, omdat de cumulatieve voorwaarden van de richtlijn niet waren vervuld en het niet geven van bedenktijd niet leidde tot schending van haar belangen. De verantwoordelijkheid voor het geven van bedenktijd ligt bij politie en Koninklijke Marechaussee, niet bij de staatssecretaris. Bovendien was eiseres niet uitgezet en had zij recht op voorzieningen.
Daarnaast was de staatssecretaris niet verplicht te wachten op de uitkomst van de beklagprocedure bij het gerechtshof voordat het besluit op bezwaar werd genomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard.