ECLI:NL:RVS:2022:3184
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- E. Steendijk
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier op tijdelijke humanitaire gronden voor slachtoffer mensenhandel met Dublinclaim
De vreemdeling diende op 19 april 2019 een asielaanvraag in, die niet in behandeling werd genomen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling. Na een aangifte van mensenhandel op 1 oktober 2019 kwalificeerde de staatssecretaris deze als een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier op tijdelijke humanitaire gronden, maar wees deze op 7 oktober 2019 af. Het Openbaar Ministerie liet weten geen vervolging te kunnen instellen omdat Nederland geen rechtsmacht had en de aanwezigheid van de vreemdeling niet noodzakelijk was.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de implementatie van artikel 6 van Pro Richtlijn 2004/81/EG onvolledig was, met name over de bedenktijd, en dat de rechtbank ten onrechte het onderscheid tussen Dublinclaimanten en andere vreemdelingen had gemaakt. De Raad van State oordeelde dat de verlening van de verblijfsvergunning afhankelijk is van meerdere cumulatieve vereisten, waaronder de dienstigheid van het verblijf voor het onderzoek, en dat het beleid sinds 1 augustus 2019 dit onderscheid rechtvaardigt.
De Raad van State verwierp de grieven en bevestigde het vonnis van de rechtbank dat de aanvraag ongegrond was. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.