ECLI:NL:RBDHA:2023:13594
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel en procesbelang in bestuursrechtelijke beroepen
Eisers, van Turkse nationaliteit, hebben op 18 september 2022 aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verleende deze vergunningen met ingang van die datum. Eisers stelden dat de ingangsdatum onjuist was vastgesteld en dat zij eerder, namelijk op 13 augustus 2022, een verzoek tot internationale bescherming hadden ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek om internationale bescherming niet gelijkstaat aan een aanvraag in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en dat de ingangsdatum van de vergunning gebaseerd moet zijn op de datum waarop aan alle wettelijke vereisten voor de aanvraag is voldaan, hier 18 september 2022. De rechtbank verwierp het beroep van eisers dat verweerder de vergunning eerder had moeten laten ingaan.
Daarnaast stelde verweerder dat bepaalde argumenten van eisers te laat waren ingebracht en daarmee in strijd met de goede procesorde. De rechtbank volgde dit standpunt deels door een notitie van VluchtelingenWerk niet mee te nemen, maar betrok wel vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak die tijdig waren gesteld.
De beroepen werden ongegrond verklaard, de bestreden besluiten bleven in stand en eisers kregen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter W.B. Bruins en griffier M.P. de Zwart.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de ingangsdatum van de verblijfsvergunningen op 18 september 2022.